vrijdag 6 februari 2015

Map2. hellas

Ringmap 2.

‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
     titel                 naam               plaats/bron
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
2.1.Wereldgeschiedenis                        de Haan‑Bussum,Staatsuit‑
    dl.2:Nabije oosten                        geverij‑Antwerpen
    en Griekenland                            Aantekening

2.2.Arwad‑Greek Coins      G.F.Hill           Aantekeningen
    of Phoenicia

2.3.Aradus et sa perée     H.Seyrig           Aantekeningen
    sous les rois Séleucide

2.4.De grote Moeder        O.V.Henkel         Aantekeningen

2.5.De Syracusaanse tyrannis L.de Blois       Aantekeningen
    in de 4e eeuw v.C.

2.6.Schriftgeschiedenis    J.A.Dortmond       Aantekeningen

2.7.De godin Allât en      H.J.W.Drijvers     Aantekeningen
    haar tempel te Palmyra

2.8.De europese mogend‑    K.de Vey Mestdagh  Intermediair,Aantekeningen
    heden in de Libanon
    omstreeks 1860 na Chr.

2.9.Circumcelliones        H.C.Teitler        Intermediair,Aantekeningen
    t.t.v.Augustinus

2.10.Nomaden & sedentairen C.H.J de Geus      Intermediair,Aantekeningen
     in het nabije oosten

2.11.Hannibal              W.Hoffman          Göttingen,Aantekeningen

2.12.de Romeinen           H.D.Stöver         Aantekening

2.13.Rome en Karthago      J.Vogt             Leipzig, 1943, Fritz
                                              Schachermeyer, Fritz
                                              Taeger, Marburg
                                              Aantekening

2.14.Hannibal,veldheer     K.Sprey            Cultuurhistorische
                                              monografieën, no.8
                                              Aantekeningen
                                              zie ook boek 30

2.15.Histoire des Romains  V.Duiny            Paris, 1879‑1885,
                                              heruitgave: Graz 1970
                                              Aantekeningen

2.16.Sidon                 C.C.Torrey         Aantekeningen

2.17.L'épopée des Phéniciens S.Moscati        Aantekeningen
                                              in een duitse vertaling

2.18.De oorlog tegen Jugurtha                 Aantekeningen
                           Salistius

2.19.Atheense expeditie    voorwoord J.Steup  Freiburg, 1905
     op Sicilië            Thukydides         LIB.VI.

2.20.Tell 'Arqa (Liban nord)
     campagnes I‑III       J‑P.Thalman        SYRIA LV, 1978

2.21.L'inscription Phénicienne
     de Tartous (RES 56)   J.Teixidor         SYRIA LVI, 1979, blz 145

2.22.Aspects of Phoenician W.Culican          Leiden, E.J.Brill 1961
     settlement in the West‑                  Abr‑Nahrain, Semitic
     Mediterranean                            Studies, Univ. of
                                              Melbourne 1959‑1960

2.23.Geographi Graeci      K.Muller           Paris, M DCCC LV
     Minores                                  Ambrosio Firmin Didot
                                              [Skylax + Hanno]

2.24.de Zeevaarders        J.B.Pritchard(voorwoord)
                           M.A.Edey           Time Live 1974
                           i.e.v.v.Blom       [Zie boek 84]

2.25.Onbekend!!!!! [De purpereilanden, Hanno, Barnsteen & tin,
                   Himilco,lotgevallen pozee?]

2.26.Les Civilisations     J.Deshayes         Arthaud 1969
     de l'orient ancient                      Aantekeningen







2.27.Hannibal              K.Christ           Darmstadt 1974
                           [+W Hoffman+W.Otto+
                           G.de Sanctis+A.d.Fitton‑
                           Brown+J.Kromayer+A.H.
                           Chroust+E.Meyer+H.Scullard
                           +A.E.Astin+A.graf v.Schlieffen]
                                              Wissenschaftliche
                                              Buchgesellschaft
                                              Aantekeningen

2.28.the Phoenicians       A.Massa            Aantekeningen
                           i.e.v.v.Maccrae    Minerva
                                              Zie ook boek 27


2.29.Note sur les récherches                  Aantekeningen
     dans le Port de Saide R.P.A.Poidebard    Beiroet 1951
     (1946‑1950)                              frans archeologisch
                                              instituut

2.30.Early Greece          O.Murray           The Harvester Press Sussex
                                              Humanities Press
                                              New Jersey

2.31.Studien zur Aeltesten Fr.von Bissing    
     Kultur Italiens:
     Karthago und sein
     Griechischen und
     Italienischen Beziehungen

2.33.The Dark ages of   A.M. Snodgrass        Edinburgh, Univ.Press
     Greece, An Archeological
     Survey of the eleventh
     to the eight Centuries BC

2.34.Supl.El Amarna     A.F.Rainey            1970, Verlag Butzon &
     tablets 359‑379                          Bercker, Kevelaer

2.35.Schrift‑aantekeningen

2.36.Van alles wat

2.37.Berekeningen (cijfers,jaartallen, gevechten)

2.38.Belegeringen

2.39.Nederzettingen
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
Over het algemeen uitreksels van boeken en artikelen. De artikelen
stammen meest uit Syria.
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑



Hoofdstuk 2.


Door de eeuwen heen.
Van eeuw tot eeuw verandert het beeld. Het Romeinse rijk van de 1e eeuw v.C. is moeilijk vergelijkbaar met dat van de 5e eeuw na Chr. De Feniciërs van de 12e eeuw v.C. zijn nauwelijks vergelijkbaar met de Puniërs, die we nog t.t.v. Sint Augustinus kunnen bespeuren.  Zowel over het begin van de Feniciërs als hun eind tasten we nog goeddeels in het duister. Ze zijn sluipend begonnen en verdwijnen haast achteloos in de plooien van de geschiedenis, zonder echt grootse tastbare materiële voorwerpen en gebouwen na te laten. Voor het begin zijn er wat aanwijzingen, zoals de half-Fenicische inscripties uit de Sinaï. De bibliotheek van Oegarit (Ras Sjamra) bevat een alfabetische spijkerschrift vanuit de 14e eeuw v.C, dat zal door-evolueren naar het klassieke Fenicisch. Pas bij de sarcofaag van Ahiram zien we een volwaardig Fenicisch schrift opduiken, maar dan praten we alleen nog maar over het schrift. De Feniciërs als zodanig zijn mogelijkerwijs als entiteit veel eerder te onderscheiden. De laatste Feniciërs schijnen als zich Kanaänieten noemende figuren op te duiken in de tijd van Sint Augustinus nabij Hippo Regius en dat is pakweg anderhalf millennium later!

2.1.Wereldgeschiedenis                        de Haan‑Bussum,Staatsuit‑
    dl.2:Nabije oosten                             geverij‑Antwerpen
    en Griekenland                                  blz.113-120


Het schrift.

Voordat overigens de Feniciërs met hun beroemde alfabetische schrift kwamen in de periode van de 14e-12e eeuw v.C. was er in dat opzicht al een hele voorgeschiedenis. Dat begon met het oorspronkelijke of begrips/beeldschrift, zoals we dat kennen uit bijvoorbeeld de grotten van Lascaux. Rond 3000 v.C. zien we de invoering van het hieroglyphenschrift in Egypte. Dat viel uiteen in het hiëratisch schrift (afgekort schrift door de priesters) en het demotisch schrift (door het gewone volk).  Het spijkerschrift ontstond vrijwel gelijktijdig in Mesopotamië. Dit was een zogenaamd Syllabisch schrift van lettergreeptekens. De Feniciërs vinden uit of dragen over: het alfabetisch schrift van medeklinkers. De Grieken voegen er de klinkers aan toe. De Etrusken (waarschijnlijk uit Klein-Azië) gebruiken de van de Feniciërs overgenomen tekens op hun eigen manier. Dit Etruskische schrift nemen de Romeinen dan weer over als voorbeeld voor het Latijns.


2.6.Schriftgeschiedenis    J.A.Dortmond      


Arvad.

De plaats Arvad ligt tussen Byblos en Oegarit in. Het is het eilandje Ruad, dat op 3 kilometer is gelegen van Tartus. Volgens Strabo (XVI 753) bedraagt de afstand tot de kust 20 stadia. Hij gaat er van uit, dat Arvad door Sidon in 761 v.C. werd gesticht, maar de plaats is veel ouder. Josephus (Ant.Iud,I 128) zegt  dat Arvad gesticht werd door Aradius, zoon van Kanaän (Genesis X 18). Arvad is een belangrijke Fenicische plaats geweest. De plaats wordt genoemd in de El-Amarna tabletten  en de Assyrische annalen voor wat betreft de periode 1400-400 v.C.  De meest uitgebreide informatie komt pas los wanneer de stad munten gaat uitgeven in de Hellenistische tijd. Op de munten worden de goden Dagon en Melqart veelvuldig afgebeeld. Opvallend is, dat in het schrift het voorzetsel MEM wordt gebruikt i.t.t. Sidon en Tyrus, waarbij de LAMED vooral wordt gebruikt. Het voorkomen van de MEM als voorzetsel zien in diverse West-Fenicische kolonies echter ook terugkeren. Arvad moet ook een rol gespeeld hebben in de enorme expansie, die de Feniciërs over de Middellandse zee hebben ontplooid. Door de munten krijgen we ook wat meer inzicht in het vasteland(sbezit) tegenover Arvad. Daar verschijnen munten uit Carne (Carnos,Karnun), Amrit (Marathus), Simyra (Zimreh, Sumra) en Orthosia (Ard Artusi). Bij zijn grootste ontplooiing moet de stadstaat geheerst hebben tot aan Sigo en Mariamme in het Ansariye gebergte.



2.2.Arwad‑Greek Coins      G.F.Hill          
    of Phoenicia

De stadsstaat Arvad/Arados/Aradus.

Volgens Strabo (XVI,2,12) besloeg het gebied van Arvad in de Fenicische tijd de streek tussen Paltos in het noorden en Simyra in het zuiden tot aan de Eleutheros.  Onder Seleucus II werden de grenzen nog uitgebreid tot aan Sigo en Mariamme in het binnenland en de zuidelijke kusten tot aan Berytus. Arvad wordt in deze tijd (300-200 v.C) dus Arados genoemd. De stad werd vooral bekend vanwege een asielrecht, dat men verwierf. Strabo (XVI,2,14) bericht daarover:

De Aradiërs, zoals de andere Feniciërs, gehoorzaamden aan de koningen van Syrië als bondgenoten. Omdat de twee broers Seleucus Callinicus en Antiochus, bijgenaamd Hiérax,  zich tegen elkaar afzetten, verbonden de Aradiërs zich met Callinicus, sloten een verbond, waarbij het hen was toegestaan bij hen vluchtelingen op te nemen, die het koninkrijk verlieten, waarbij zij hen niet tegen hun wil behoefden uit te leveren. Het was hen overigens niet toegestaan om zee te kiezen zonder toestemming van de koning.


2.3.Aradus et sa perée     H.Seyrig          
    sous les rois Séleucide

Polytheïsme.

Er is in de oudheid voor de komst van het Christendom geen sprake van een hoofdreligie. Hoogstens zijn er van plaats tot plaats verschillende voorkeuren. Zelfs in Rome wordt met het grootste gemak een volkomen vreemde godin in huis gehaald, wanneer dat zo uitkomt. Zoiets gebeurde in 205 v.C. Hannibal bevond zich tijdens de oorlog tussen Rome en Carthago nog steeds in Zuid-Italië. In Rome maakte men zich op om een beslissing te forceren.  Om zich te verzekeren van een goed gesternte, waaronder de komende acties moesten plaats vinden, huurde men de godin Mater Magna in. Met toestemming van Attalus I van Pergamum werd de godin (in de vorm van een meteoorsteen) vervoerd naar Ostia. In 204 v.C. installeren Scipio Nasica en Claudia Quinta haar in de tempel Victoria. Deze godin werd echter al duizenden jaren in Azië vereerd en werd ook wel Cybele genoemd. De cultus bevatte sterk extatische trekken, waarbij ook zelfcastratie voorkwam. Haar culturele centrum was in Klein-Azië te Pessinus, maar vinden we ook op de berg Ida te Troje. De Grieken identificeerden haar als Afrodite en in Rome ging zij door voor de moeder van Aeneas.


2.4.De grote Moeder                                      O.V.Henkel        
       De komst van Mater Magna naar Rome Uitgeversmaatschappij Terra


De sociale discrepantie.
Terwijl elke stad en streek zo’n beetje zijn eigen goden en godinnen had, was er eigenlijk overal wel sprake van eenzelfde soort sociale discrepantie tussen rijk en arm. Dit zien we in het bijzonder terugkomen tijdens de Syracusaanse tyrannis in de 4e eeuw v.C. Sicilië kent in de tijd  370-300 v.C. een groeiende bevolking, die te maken heeft met stijgende prijzen, terwijl zij niet of nauwelijks meer gingen verdienen. Er komt een schaarste aan graan, maar de productie van goud en zilver is hoog. Deze situatie is gunstig voor de rijken, waaronder Carthago in haar bezittingen op Sicilië! De kleine boeren op Sicilië moeten steeds meer gaan lenen en dat tegen een hoge rente om te zorgen voor hun levensonderhoud. Dit alles gaat leiden tot “stasis” = revolutie met schulddelging en landverdeling. De optredende alleenheersers in Syracuse zullen menigmaal van deze situatie gebruik gaan maken, zoals Dionysius I + II, maar ook Agathocles. Daartegenover staan de radicale democraten als Diocles en Dion. De dictatoren hebben in deze tijd een formidabele militaire macht, maar weinig geregelde financieringen en een slechte sociale situatie. Er moet haast wel oorlog gevoerd worden om de huurlingen te kunnen betalen. Veelal worden de rijken op den duur uit met name Syracuse verdreven door de combinatie van de dictator en de arme bevolking. De verdreven rijken zoeken hun heil bij andere rijken, zoals vaak de oligarchie van Carthago. Aldus sleept zich dit sociale conflict zich vele tientallen jaren voort, dat men met militaire middelen tracht op te lossen. Slechts de Corinthiër Timoleon kan tijdelijk voor enige opluchting zorgen. Er komen na 339 v.C. 10.000 Grieken uit Hellas en 50.000 Grieken uit andere landen om de steden te herbevolken en komt er ook een economische opbloei. Met de komst van Agathocles zal de oude twist tussen rijk en arm weer opleven.

2.5.De Syracusaanse tyrannis L.de Blois      
       in de 4e eeuw v.C.

Palmyra.
We praten bij de Feniciërs en Puniërs over de god Baäl. Deze naam komt in wat andere vorm meer voor in het Nabije Oosten. Zo is er in Palmyra een tempel van Bel (32 na Chr) en komt er een godheid voor met de naam Baälshamên (=heer van de hemelen). Palmyra is een typisch grensgebied tussen de wereld van de Levant, de Mesopotaamse wereld en de Arabische wereld. De godin Allât werd met name door de Arabische bevolking in dit gebied aanbeden. De zonnegod werd Šamš genoemd. De taal in het gebied is dan hoofdzakelijk Aramees. In 272 na Chr. wordt koningin Zenobia, die een groot gebied had veroverd rond Palmyra, verslagen door Aurelianus. Na 300 na Chr. wordt de stad van muren voorzien door Diocletianus. De goden krijgen hun gebruikelijke naamsverwisseling. Allât wordt Athene en Artemis. Artemis had overigens haar voornaamste heiligdom te Hierapolis (bij Aleppo).

2.7.De godin Allât en      H.J.W.Drijvers    
    haar tempel te Palmyra

Overgangsgebieden.
De gebieden rond Palmyra, Amman, Petra en Damascus zijn bij uitstek de overgangsgebieden, waar zich in de Oudheid de bewegingen voordoen tussen de steppen/woestijn en het cultuurland .  Woestijn, steppenland en cultuurland liggen niet naast elkaar, maar door elkaar. Alleen in Egypte vinden we een duidelijke tweedeling. In voornoemde zone, die in de Oudheid veel groter was,  zijn twee soorten levenswijzen aanwezig. De nomadische en de sedentaire levenswijze balanceren in een wankel evenwicht naast elkaar.  We zien een voortdurende instroom van nomaden, waarbij soms pieken van infiltratie waarneembaar zijn:
2500 v.C. Semieten – Akkadiërs
2000 v.C. Amorieten
1200 v.C. Arameeërs
800 v.C. Kimmeriërs & Skythen
600 v.C. Arabieren
Soms gaat de beweging ook de andere kant op. Zo verdwijnen tussen 2500 – 2000 v.C. de steden voor een goed deel in Palestina, waarna vanaf 1900 v.C. er een krachtig herstel volgt.

2.10.Nomaden & sedentairen C.H.J de Geus      Intermediair,
     in het nabije oosten

3000 jaren later.
Zo verdeeld als Fenicië in de Levant in de Oudheid was, zo verdeeld is het hedendaagse Libanon. We vinden er Druzen, Maronieten, gewone Arabieren, gewone Christenen, Moslems en tot voor kort (nog in de 19e eeuw na Chr) diverse Joodse gemeenschappen. Na het ineenstorten van het Turkse rijk, hebben diverse Europese mogendheden zich met de Libanon bemoeid. De situatie van 9 juni 1861 na Chr. is tekenend voor de blijvende verdeeldheid. Op die datum kwam er een Regelement voor het bestuur van de Libanon tot stand. Er kwam een christelijke gouverneur met grote bevoegdheden, maar de havensteden Beirut, Sidon en Tripoli bleven nog onder rechtstreeks Turks gezag.


2.8.De europese mogend‑    K.de Vey Mestdagh  Intermediair,
    heden in de Libanon
    omstreeks 1860 na Chr.

Religieus fanatisme.
De gelijkenis van de Libanon in onze tijd met de toestand in Noord-Afrika t.t.v. Augustinus is frapperend.Ook hier vinden we puriteinse Christenen. Het betreft een fanatieke vleugel van de Donatistische kerk. Augustinus, de bisschop van Hippo Regius rond 400 na Chr. beschuldigt deze ‘strijders voor god’ van de ernstigste misdaden en folteringen. Zij plunderen de voorraadschuren (cellas circumiens rusticanes). Deze strijders worden Circumcelliones genoemd en dat is in feite een scheldwoord. De Donatisten zijn de volgelingen van de puriteinse bisschop Donatius en die baseerde zich weer op Tertullianus en Cyprianus. Het is niet alleen een conflict tussen rekkelijken en preciezen in de leer, maar evenzeer een sociaal conflict. De kleine boeren en slaven komen in opstand. Christenen worden door Christenen vervolgd. De hang naar het martelaarschap is groot. Al dit soort elementen zien we in onze moderne tijd terugkeren in de Libanon.

2.9.Circumcelliones        H.C.Teitler        Intermediair,
    t.t.v.Augustinus

Hannibal 1.
Deze naam hoort bij de bekendste vertegenwoordiger van de Carthagers. De zoon van Hamilcar is de geschiedenis ingegaan als ‘de edelste mislukkeling’ of als de meester-veldheer. Er zijn echter veel meer Carthagers geweest met dezelfde naam, waarover later meer. Hnb‘l betekent: in de gunst van Baäl. Hannibal , de zoon van Barcas, wordt waarschijnlijk in 246/245 v.C. geboren en sterft in 183/182 v.C. Hij is vanaf zijn 25e jaar veldheer, onderwerpt delen van Spanje, valt over land Rome aan, is hervormer na 201 v.C. in Carthago en dwarrelt de laatste jaren van vorstenhuis naar vorstenhuis in het Nabije Oosten. In deze Hannibal komt nog één keer de grootte van de oude wereld naar voren, die ten ondergang gedoemd is bij de opkomst van de Romeinen.

2.11.Hannibal              W.Hoffman          Göttingen,

Hannibal 2.
Talloos zijn de boeken, die over Hannibal, de zoon van Barcas, zijn verschenen. Sommige zijn heel dik. Sommige zijn heel dun. Dat de dikte niet alles wil zeggen, bewijst het boekje van K.Sprey, dat in weinig bewoordingen de kwintessens van het fenomeen weergeeft. Enkele voorbeelden:
a.Rome was een staat, waarmee een burger zich kon identificeren.
b.Slechts éénmaal moest Rome op leven en dood strijden.
c.Hannibal overschaduwde iedereen, niet door zijn positie, maar door zijn prestaties.
d.Het was een strijd van het persoonlijk genie tegen de onpersoonlijke macht van een imperium in wording.
e.Er was een tegenstelling tussen Hanno en Hamilcar. Hanno stond voor een zich schikken in de situatie en zich richten op Afrika. Daarnaast zelf een onderwerping zoals Syracuse. Hamilcar wilde een wederopstanding en wilde de huid zo duur mogelijk verkopen. Hij wilde een herstel zonder in conflict te komen met Rome en ging daarom naar Spanje.
f.De verwoesting van Rome werd nooit nagestreefd.
g.Hannibal vertrouwde te veel op zijn bondgenoten, maar hij moest wel, want zelf had hij een te zwak leger.
h.Spanje betaalde de oorlog en dus moest dat land ten koste van alles behouden blijven.

2.14.Hannibal,veldheer     K.Sprey            Cultuurhistorische
         van Carthago.                                     monografieën, no.8


Hannibal 3.
Karl Christ bundelt een groot aantal meningen over het fenomeen Hannibal. Opmerkelijk zijn de bevindingen:
-       Sagunto vervulde bij de 2e Punische oorlog dezelfde rol van aanleiding als Messina bij de 1e Punische oorlog.
-       De lethargie van de bondgenoten.
-       Het vrijheidsparool werkt alleen in het begin.
-       Hij was het symbool voor de ontwikkeling, dat Rome alles ging beheersen.

2.27.Hannibal              K.Christ           Darmstadt 1974
                                     [+W Hoffman+W.Otto+ G.de Sanctis+A.d.Fitton‑ Brown+J.Kromayer+A.H. Chroust+E.Meyer+H.Scullard
                                     +A.E.Astin+A.graf v.Schlieffen]
                                                             Wissenschaftliche
                                                             Buchgesellschaft


Romeins Carthago.
De meest verschrikkelijke transformatie van een Punische stad vond plaats in Carthago zelf. Die was nog rampzaliger dan de verwoesting van de stad zelf. O.l.v. Gaius Gracchus gaan de Romeinen een eeuw na de verwoesting de stad weer opbopuwen, maar helemaal zonder obstakels lukt dat niet. Plutarchus vermeldt namelijk, dat:
 zich nare voortekenen hebben voorgedaan. Het eerste veldteken werd speelbal van de wind en toen de drager zich met alle kracht verweerde, brak het. Een wervelwind zoog de op de altaren gelegen offeranden op en gooide ze een heel stuk van de palen, die het grondplan van de stad aanduidden, weer neer. De palen zelf werden door binnendringende wolven uit de grond getrokken en een eind weggesleept.
Wolven zijn het symbool voor vluchtelingen en bannelingen. Ergens moet het geweten van de Romeinen over hun misdaad zijn gaan knagen bij de creatie van de nieuwe stad. Was het niet ter plekke, dan toch wel door degenen, die dit soort berichten over de herstichting opschreven, want er zijn meer van dit soort verhalen.

2.12.de Romeinen           H.D.Stöver        


‘Entartete Kunst’.
De berichtgeving over de Feniciërs en Puniërs door de klassieke auteurs was tamelijk eenzijdig om niet te zeggen meestal vijandelijk. De meeste huidige auteurs proberen, ondanks deze beperkingen toch een wat neutralere weg te bewandelen. Een van de uitzonderingen daarop vormt een boek van Joseph Vogt uit 1943 na Chr. Het staat bol van de rassenhypotheses en negatieve beoordelingen over de aard, het karakter en de kunst van de Feniciërs en Puniërs. Rome is in dit boek het noordelijke superieure ras. Gelukkig is het boek een uitzondering. Het toont wel aan hoezeer ‘onderzoekers’ onder een totalitair regime kunnen ontaarden.

2.13.Rome en Karthago      J.Vogt             Leipzig, 1943, Fritz
                                                                   Schachermeyer, Fritz
                                                                   Taeger, Marburg
                                                                
Verdragen.
De Carthagers en Rome sloten diverse verdragen. Er bestaat verschil van mening over de jaartallen.


Tarquinius-verdrag   509
                 348
                 342 vlg.Livius
                 306 vlg.Livius
t.t.v.Pyrrhus             279
na 1e Punische oorlog 241
na Sardinië          238
Ebroverdrag          226
na 2e Punische oorlog 201
 
 















2.15.Histoire des Romains  V.Duiny            Paris, 1879‑1885,
                                                                       heruitgave: Graz 1970

Sidon 1.
Bij C.C.Torrey komen we in zijn boek een hypothese tegen over de herkomst van de Sidoniërs. Zij zouden met vele andere Semieten opgeschrikt kunnen zijn door een aarbeving in zuiden van Arabië (zoals ook klassieke auteurs beweren) en zouden omstreeks 2800 v.C. zich enige tijd aan de kusten van de Perzische golf hebben opgehouden. Het hoeft niet per sé een gewone aardbeving geweest te zijn. Het kunnen ook inslagen van meteoren geweest zijn, want in het z.g. lege kwartier van Arabië zijn de inslagen daarvan teruggevonden! Daarna zouden zij pas na ca.1600 v.C. zich hebben verplaatst via Mesopotamië naar wat we nu de Libanon noemen.  De naam Šidonim zou ook invadeurs betekenen, terwijl de stam Šd vis betekent.
De stad Sidon heeft naast de eigenlijke kern op de kliffen en eilandjes aan de kust diverse andere wijken:
-       district op de heuvels
-       Rešeph-kwartier met de tempel van Esjmoen
-       District van de hoge hemelen
-       Necropool Ayaa
-       Necropool Magharet Ablûn

2.16.Sidon                 C.C.Torrey         Aantekeningen


De wereld van de Feniciërs.
Een van de meest geslaagde pogingen om de wereld van de Feniciërs in kaart te brengen is gedaan door S.Moscati (Rome 1965 na Chr). In tijd is er een enorm verschil tussen het materiaal van Ugarit en de laatste Punische fase bij St.Augustinus. Hierdoor moesten er wel foute interpretaties bij opgravingen ontstaan. En toch is er een autonome Fenicische beschaving, als we de gevonden voorwerpen zoals juwelen, metalen schalen e.d. goed door de tijd en de ruimte heen beschouwen. Cultureel is de Fenicische inbreng een voortzetting van de Kanaänietische beschaving. Daarbij is het opmerkelijk, dat door de tijd heen er ook altijd van Kanaän sprake blijft:
-       Akkadische inscriptie op beeld Idrimi (15e eeuw v.C)
-       Op gedenkteken Amenophis II te Memphis
-       In de Bijbel
-       Op munten van Laodicea uit de Hellenistische tijd
-       Bij Philo van Byblos in de Romeinse tijd
-       Bij St.Augustinus in de laat-Romeinse tijd:
Unde interrogati rustici nostri quid sint, punice respondentes Chanani.
Tussen de Fenicische en Punische beschaving zit ook meer overeenstemming dan verschil, hetgeen tot uiting komt in de gedenkstenen, sarcofagen, figuren, beeldjes, maskers, amuletten, glas, keramiek en zegels. Hierbij is lokale productie of import nauwelijks uit elkaar te houden. Ondanks het enorme tijdverschil en de voor die tijd enorme geografische omvang, is er in essentie toch sprake van één culturele wereld.

2.17.L'épopée des Phéniciens S.Moscati        Aantekeningen
                                              in een duitse vertaling

Jugurtha.
Tegen het eind van de 2e eeuw v.C. valt het Numidische koninkrijk van Micipsa uiteen. Tot die tijd was dat koninkrijk een vazalstaat van Rome.  Noord-Afrika zag er staatkundig toendertijd als volgt uit:
Mauretanië       West-Numidië     Oost-Numidië     Africa
Bocchus      Masaesylië           Masylië          Provincia
Jugurtha         Adherbal         Romana
Sallustius beschrijft een eeuw later uitgebreid de oorlog, die Jugurtha ging voeren. Jugurtha valt in 113 v.C. Cirta aan en na 15 maanden valt de stad, waarbij Adherbal, maar ook vele Romeinen en Italische handelaren worden vermoord.  Het duurt tot 105 v.C., voordat Jugurtha na een halfslachtig optreden van Romeinse generaals, diverse beschamende Romeinse nederlagen, omkopingen, guerilla uiteindelijk door Bocchus aan de Romeinen wordt uitgeleverd. Als prijs voor zijn verraad t.o.v.Jugurtha krijgt Bocchus West-Numidië toegewezen.  Op den duur zal echter ook dit vergrote Mauretanië onder de Romeinen gaan vallen. Deze episode typeert de machtspolitiek van de Romeinen bij uitstek. Bondgenoten en handlangers worden gebruikt zo lang als dat nodig is. Jugurtha heeft dat goed in de gaten en verkoopt zijn huid zo duur mogelijk. De klassieke auteur Florus merkt dan ook op in zijn boek I, 36:
Terecht vreesden de Romeinen Jugurtha als hun ergste vijand na Hannibal.

Nu was Jugurtha zeer waarschijnlijk een Numidiër, maar de heerser over Oost-Numidië had een zeer herkenbare Punische naam: Adherbal.  Na de val van Carthago zijn de Puniërs in grote getale uitgezwermd over de Numidische landen, waar zij al snel belangrijke posities verworven. De Numidische koningen bedienden zich van de Punische taal en kregen ook de Carthaagse archieven van de Romeinen aangereikt, voorzover ze uit de as van de stad waren gered.


2.18.De oorlog tegen Jugurtha                 Sallistius

Athene versus Syracuse.
De klassieke schrijver Thucydides beschrijft de Atheense expeditie naar Sicilië, maar en passant bericht hij ook over de nederzettingen van Barbaren en Hellenen op Sicilië. De volgende Fenicische nederzettingen en/of namen krijgen de volgende verklaring:
Motya    =   spinnerij?
Soloeis  =   Kafara
Lilybaion    =   tegenover Libyë
Pachynos =   de wacht (Pachun)
Overigens kijkt Carthago tegen het einde van de 4e eeuw v.C. tijdens deze Griekse broederkrijg van de zijlijn toe en raakt pas na afloop van deze strijd betrokken bij het Griekse deel van Sicilië. Het is overigens wel de eerste keer, dat er een oorlog woedt tussen een stadstaat uit het oostelijke deel van de Middellandse zee en een stadstaat uit westelijke deel van de Middellandse zee.


2.19.Atheense expeditie    voorwoord          J.Steup  Freiburg, 1905
         op Sicilië                  Thukydides         LIB.VI.


TELLS.
In het Nabije Oosten bevinden zich talloze ruïneheuvels, waarvan nog maar een klein deel werkelijk is opgegraven. In de Libanon is daarentegen wel een groot deel van deze Tells bestudeerd. Een voorbeeld daarvan is Tell ‘Arqa. De geschiedenis van deze stad gaat terug tot in het 2e millennium v.C. en wel onder de naam Irqatu. In de Helleense tijd wordt de plaats Arca genoemd. De Tell ligt ca.20 km ten noorden van Tripoli in de wijdse vlakte van ‘Akkar in de buurt van  de rivier Nahr el-Kebir. Aan de top (147 meter hoog) zijn de afmetingen 100m bij 250m. Uit het archeologisch onderzoek, dat sinds 1972 plaats gevonden heeft, is gebleken, dat er sprake is van 12 niveau’s, waarin 6 periodes te onderscheiden zijn:
-       moderne tijd
-       middeleeuwse tijd
-       byzantijnse tijd
-       hellenistische tijd
-       ijzertijd
-       bronstijd
De Fenicische tijd ligt vooral in de ijzertijd, maar we weten (nog) niet goed, welke de rol is, die deze stad toen gespeeld heeft. Waarschijnlijk was zij ondergeschikt aan Tripolis.

2.20.Tell 'Arqa (Liban nord)
         campagnes I‑III       J‑P.Thalman        SYRIA LV, 1978 

Inscriptie-dispuut.
Over de exacte inhoud van diverse Fenicische inscripties bestaat wel eens verschil van menig. Zo leest R.Dussaud RES 56, ofwel AO 3080 van de catalogus van het Louvre als volgt in het jaar 1896 na Chr.:
Dit altaar werd opgericht door Eldamad, dochter van Echel.
J.Teixidor komt in 1979 na Chr. tot iets heel anders:
Hermaios, die dit heeft opgericht voor de rustplaats van zijn concubine.
De naam kan ook zijn Hermias of Hermeias. In ieder geval is wel duidelijk, dat zowat een eeuw lang dit nog tot discussie kan leiden. Het heeft alles te maken met hoe de Fenicische tekens, die vaak vrij onduidelijk zijn, geinterpreteerd worden. Is het nu een b of een r, om maar bij het eerste woord te beginnen.

2.21.L'inscription Phénicienne
     de Tartous (RES 56)   J.Teixidor         SYRIA LVI, 1979, blz 145


Discussies over de stichting van Fenicische nederzettingen.
Hoezeer de Tyrische en Carthaagse archieven gemist worden komt vooral tot uiting bij het bepalen van het begin van de diverse Fenicische nederzettingen overzee. Deze archieven waren er ooit, maar ze zijn verloren gegaan. Bij de beantwoording van de vragen naar het begin van de Fenicische nederzettingen moeten we dan ook uitgaan van niet-Fenicische (dus Griekse en/of Romeinse) bronnen. Nu is dat niet altijd zo betrouwbaar. Dus rest er nog maar een mogelijkheid en dat is om de archeologie te laten spreken. Dat dat ook niet altijd de oplossing geeft zien we bij Carthago bijvoorbeeld. E.O.Forrer beweert in 1953 na Chr, dat Carthago tussen 673-663 v.C. werd gesticht, want de z.g. zwart op rode keramiek komt in de 9e eeuw v.C. veel voor in Azië (Gjerstad-classificatie). Dan zou dat ook in Carthago zo moeten zijn en dat is niet zo en dus is de stad later dan 814 v.C. gesticht. Daartegenover staat dan weer, dat R.Carpenter heeft aangetoond, dat de epigrafie van de steen van Nora sterk gelijkt op dat van een in Carthago gevonden medaillon. De steen van Nora wordt door Albright gedateerd op de 10e/9e eeuw v.C, zodat Carthago heel goed in de 9e eeuw v.C. gesticht kan zijn.

2.22.Aspects of Phoenician W.Culican          Leiden, E.J.Brill 1961
          settlement in the West‑                        Abr‑Nahrain, Semitic
          Mediterranean                                      Studies, Univ. of
                                                                       Melbourne 1959‑1960

Hanno de Zeevaarder 1.
De Feniciërs en Puniërs waren kooplieden en handelaren. Daarvoor bevoeren zij de Middellandse zee en zelfs de Atlantische oceaan. Ze waren niet op de eerste plaats ontdekkingsreizigers. Toch is er in een Griekse vertaling het verslag van zo’n ontdekkingsreis bewaard gebleven, maar misschien was het ook wel een reis uit winstbejag. Geschiedschrijver Polybios (ca.200-120 v.C) kan het reisverslag nog net op tijd in veiligheid brengen, voordat de stad Carthago helemaal ten gronde wordt gericht. In ieder geval komt Hanno met een complete vloot tot ver zuidelijk langs de Afrikaanse kust. De meest verbreide visie gaat het volgende uit:

                                       Dagen  Dagen cumulatief
Van de Gaditaanse engte tot Thymiaterion 2     2
Voorgebergte Soloeis                     4     6     kaap Cantin
Stagnum                                  ½     6 ½   Safi
Karikon Teichos                          1     7 ½   Agouz
Gytta,Acra,Melitte,Arambys,Lixus         5     12 ½  Drah
Verlaten streek                          12    24 ½  kaap Blanc
Kerne                                    1     25 ½  Herne?.Arguin?
Chretes rivier
Van Cerne naar de groene kaap            12    37 ½  kaap Verde
‘maris hiatum’                           2     39 ½  Gambia rivier
‘Hesperi Cornu‘                          5     44 ½  Bissagos eilanden
‘Theon ochema’                           4     48 ½  Mont Sagres
‘Noti Ceras’                                   3     51 ½  eiland Sherbo

Vanaf de straat van Gibraltar is Hanno ca.2 maanden onderweg naar het zuiden en is dus zeker voorbij de Sahara tot in Guinee doorgedrongen. En dan dus ook weer ca. 2 maanden terugvaren, of korter vanwege de gunstiger zeestroom en overheersende winden. Het is opmerkelijk, dat de plaats Mogador niet wordt genoemd en ook de Canarische eilanden niet. Merkwaardig is ook, dat in het verslag de naam van een apensoort wordt genoemd (gorilla) en dat de opvarenden een vulkaanuitbarsting meemaakten (of was het een bosbrand?).

2.23.Geographi Graeci      K.Muller           Paris, M DCCC LV
         Minores                                             Ambrosio Firmin Didot
                                                                   [Skylax + Hanno]

Fenicische schepen.
Er zijn er maar heel weinig van teruggevonden. In 1960 na Chr. vinden Bass en Throckmorton een wrak bij de kaap Gelidonya aan de zuidkust van Turkije. De lading bestond uit o.a. scarabeeën, rolzegels, stenen vijzels, hamers, diverse gewichten, olijven en een massa koperen en tinnen staven. In feite leek het wel op een drijvende werkplaats. Dat gegeven beantwoordt ook aan het beeld van wat we van de Feniciërs hebben. Ze gingen niet de zee op als kolonisten, maar als kooplieden, handelaren en ambachtslieden.

2.24.de Zeevaarders        J.B.Pritchard      (voorwoord)
                                        M.A.Edey           Time Live 1974
                                        i.e.v.v.Blom      

Terug in de tijd.
Hier wordt gesproken over de Oudheid als een periode van ca.1500 v.C. tot ca.500 na Chr. In feite kunnen we nog veel verder teruggaan in de tijd om tastbare bewijzen te vinden van de oude beschavingen.
Een kleine greep voor wat betreft de Syro-Libaneze kust:
7500 v.C.    Jericho
6000                         Byblos
2260                         Amorieten in Syrië
1675                         Hyksos
1630                         Hittieten in Alalakh

2.26.Les Civilisations     J.Deshayes         Arthaud 1969
         de l'orient ancient                     

Indeling en onderscheiding binnen Fenicië.
Globaal is een driedeling van toepassing.
NOORDEN: oud en op Cyprus gericht.
Gabala
Paltos
Karne
Arvad = Arad = Ruad
Marath = Amrit
Simyra
Arka
MIDDEN: het heilige gebied.
Gebal = Byblos
Beryt = Berytus = Beiroet
ZUID: de verre expansie
Sidon = Tshidon
Sarepta = Sarafand
Tyrus = Tsor = Sour
Acco
Joppe = Jaffa


2.28.the Phoenicians       A.Massa           
                                         i.e.v.v.Maccrae    Minerva

Onderwater-archeologie.
Deze tak van wetenschap is sterk in opkomst en vormt een bron van hoop voor de toekomst. Juist onder het wate zal er nog veel van de oudheid zijn terug te vinden. Een van de eersten, die dat heeft ingezien, is R.P.A.Poidebard, die bij Tyrus en Sidon vooral onderzoek heeft verricht naar de havens.

2.29.Note sur les récherches                 
     dans le Port de Saide R.P.A.Poidebard    Beiroet 1951
     (1946‑1950)                                             frans archeologisch instituut

Donkere eeuwen in Griekenland.
De periode van 1200 tot 800 v.C. is in veel nevelen gehuld. We zien de neergang van de Myceense beschaving. Als er al bijzondere voorwerpen uit die periode gevonden worden, dan zijn ze meestal van Oosterse oorsprong, dan wel imitaties. Cilicië, Cyprus, Egypte en Fenicië spelen daarbij een belangrijke rol. In Griekenland is Kreta het meest onder de Oosterse invloed geraakt.

2.33.The Dark ages of   A.M. Snodgrass        Edinburgh, Univ.Press
        Greece, An Archeological
         Survey of the eleventh
         to the eight Centuries BC

Oosters Griekenland.
Voordat de Grieken zich en masse buiten de Egeïsche wereld waagden, hadden zij vanuit het oosten al vreemde gasten in huis. Er waren geen echt aparte Fenicische nederzettingen, maar de Fenicische handel floreerde er buitengewoon tussen de 10e en 8e eeuw v.C. Op Rhodos, Kreta en in Athena werkten Fenicische ambachtslieden. Op Thasos werden mijnen geëxploiteerd. Thebe staat in verbinding met de legendarische figuur Kadmos. Het Fenicische alfabet werd in aangepast vorm overgenomen. Ook de Fenicische goden maken hun intrede onder veelal andere namen.  Vanaf ca.800 v.C. zien we de Grieken aan de Levantkust verschijnen. Al Mina wordt door Grieken en Fenicië samen bewoond. Tussen 750 en 650 v.C. kunnen we zelfs spreken van een Orientaalse periode in Griekenland. In deze tijd vertaalt Hesiodus Fenicische mythen.


2.30.Early Greece          O.Murray           The Harvester Press Sussex
                                                                  Humanities Press
                                                                  New Jersey

De vroege rol van Carthago in Italië.
In de tijd van Pumiaton van Tyrus (820-774 v.C) wordt Carthago gesticht. Zij was lang niet de eerste Fenicische nederzetting in het westelijke deel van de Middellandse zee, maar zou wel de belangrijkste worden.

Ø     Bij de komst van de Grieken trekken de Feniciërs zich terug op Panormos, Soloeis en Motya, omdat dat dichter bij Carthago ligt, zodat zij daar beter beschermd kunnen worden.
Ø     Malchus, koning van Carthago, bevestigt de dominantie van de Feniciërs in Sardinië.
Ø     In 535 v.C. slaat Carthago m.b.v. de Etrusken een Griekse invasie van Corsika af.
Ø     In 509 v.C. wordt in een verdrag tussen Rome en Carthago o.a. afgesproken, dat Romeinse schepen niet westelijk van het Schone Voorgebergte mogen varen.
Ø     Vooral via de Etrusken bestaat er een levendige handel tussen Italië en Carthago, maar indirect ook met plaatsen in Griekenland.
Ø     In het verdrag tussen Rome en Carthago van 348 v.C. wordt Tyrus uitdrukkelijk genoemd.
Ø     Met het minder belangrijk worden van de Etrusken, gaat de Carthaagse handel steeds meer directe relaties opbouwen met Italië.

2.31.Studien zur Aeltesten Fr.von Bissing    
         Kultur Italiens:
         Karthago und sein  Griechischen und  Italienischen Beziehungen


De nadagen van de Kanaänieten.
De in Egypte gevonden tabletten bij El Amarna geven een goed inzicht van de situatie in Kanaän tijdens de 14e eeuw v.C. De Egyptische invloed is er tanende en het land wordt bedreigd door Amorietische vorsten waaronder ‘Abi-Aširta. Rib-haddi is de vazalkoning van Byblos (Gubla) en verkeert in grote moeilijkheden, zoals uit tablet EA 362 blijkt.
Rib-haddi: Spreek tot de koning (=farao), mijn heer: aan de voeten van de heer ben ik 7 keer en 7 keer neergevallen. Nu heb ik de woorden van de koning gehoord, mijn heer en mijn hart heeft zich zeer verheugd. Dat mijn heer snel boogschuttertroepen zal sturen. Als de koning, mijn heer, niet snel boogschuttertroepen zal sturen, dan zullen we sterven en de steden van Byblos zullen worden ingenomen.
Opmerkelijk is de overdreven onderdanigheid, die uit dit bericht spreekt. Het getal zeven heeft een bijzondere betekenis en zeker het kwadraat daarvan. Tijdgenoten van Rib-haddi zijn Milkili van Gezer (Gazru), Suruta van Akka, Šuwardata van Gath (Gimti), Yidya van Ašqaluna (Askalon) en Intaruta van Akšapa (Achshaph). De steden Amqi, Hazor (Hasura), Japhia (Yapu), Sidon (Siduna), Ullassa en Ushu (Usû) bestaan al. Kanaän, het land, wordt betitteld als Kinahhi. De Kanaänietische taal bevat reeds veel woorden, die we later in een aangepaste vorm bij de Feniciërs zien terugkomen.

2.34.Supl.El Amarna     A.F.Rainey            1970, Verlag Butzon &
     tablets 359‑379                          Bercker, Kevelaer


Abu      vader            ’b

Belu            b’l

Beru     mijl, dubbel uur    b’r
Elû      boven            ‘l
Erbâ     veertig      ‘rb’
Mâtu     sterven      mt’
Me’atu   honderd      m’t
Mulku    koningschap      mlk
Mutu     dood         mt
Naru     rivier           nhr (god Oegarit)
Šamšu    zon          šmš

 
 



 ncfps

















Geen opmerkingen:

Een reactie posten