Ringmap 2.
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
titel naam plaats/bron
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
2.1.Wereldgeschiedenis de Haan‑Bussum,Staatsuit‑
dl.2:Nabije oosten geverij‑Antwerpen
en Griekenland Aantekening
2.2.Arwad‑Greek
Coins G.F.Hill Aantekeningen
of Phoenicia
2.3.Aradus et sa perée H.Seyrig Aantekeningen
sous les
rois Séleucide
2.4.De grote
Moeder O.V.Henkel Aantekeningen
2.5.De
Syracusaanse tyrannis L.de Blois
Aantekeningen
in de 4e eeuw v.C.
2.6.Schriftgeschiedenis J.A.Dortmond Aantekeningen
2.7.De godin
Allât en H.J.W.Drijvers Aantekeningen
haar tempel te Palmyra
2.8.De europese
mogend‑ K.de Vey Mestdagh Intermediair,Aantekeningen
heden in de Libanon
omstreeks 1860 na Chr.
2.9.Circumcelliones H.C.Teitler Intermediair,Aantekeningen
t.t.v.Augustinus
2.10.Nomaden
& sedentairen C.H.J de Geus
Intermediair,Aantekeningen
in het nabije oosten
2.11.Hannibal W.Hoffman Göttingen,Aantekeningen
2.12.de Romeinen H.D.Stöver Aantekening
2.13.Rome en
Karthago J.Vogt Leipzig, 1943, Fritz
Schachermeyer, Fritz
Taeger, Marburg
Aantekening
2.14.Hannibal,veldheer K.Sprey Cultuurhistorische
monografieën, no.8
Aantekeningen
zie ook boek 30
2.15.Histoire des Romains V.Duiny Paris, 1879‑1885,
heruitgave: Graz 1970
Aantekeningen
2.16.Sidon C.C.Torrey Aantekeningen
2.17.L'épopée
des Phéniciens S.Moscati
Aantekeningen
in een duitse vertaling
2.18.De oorlog
tegen Jugurtha
Aantekeningen
Salistius
2.19.Atheense
expeditie voorwoord J.Steup Freiburg, 1905
op Sicilië
Thukydides LIB.VI.
2.20.Tell 'Arqa (Liban nord)
campagnes I‑III J‑P.Thalman SYRIA LV, 1978
2.21.L'inscription Phénicienne
de Tartous
(RES 56) J.Teixidor SYRIA LVI, 1979, blz 145
2.22.Aspects of Phoenician W.Culican Leiden ,
E.J.Brill 1961
settlement
in the West‑ Abr‑Nahrain,
Semitic
Mediterranean
Studies, Univ. of
2.23.Geographi Graeci K.Muller Paris ,
M DCCC LV
Minores
Ambrosio Firmin Didot
[Skylax + Hanno]
2.24.de
Zeevaarders
J.B.Pritchard(voorwoord)
M.A.Edey Time Live 1974
i.e.v.v.Blom [Zie boek 84]
2.25.Onbekend!!!!!
[De purpereilanden, Hanno, Barnsteen & tin,
Himilco,lotgevallen pozee?]
2.26.Les Civilisations J.Deshayes Arthaud 1969
de l'orient ancient
Aantekeningen
2.27.Hannibal K.Christ Darmstadt 1974
[+W Hoffman+W.Otto+
G.de
Sanctis+A.d.Fitton‑
Brown+J.Kromayer+A.H.
Chroust+E.Meyer+H.Scullard
+A.E.Astin+A.graf
v.Schlieffen]
Wissenschaftliche
Buchgesellschaft
Aantekeningen
2.28.the
Phoenicians A.Massa Aantekeningen
i.e.v.v.Maccrae Minerva
Zie ook boek 27
2.29.Note sur
les récherches
Aantekeningen
dans le Port de Saide R.P.A.Poidebard Beiroet 1951
(1946‑1950) frans
archeologisch
instituut
2.30.Early Greece O.Murray The Harvester Press Sussex
Humanities Press
2.31.Studien zur Aeltesten Fr.von Bissing
Kultur Italiens:
Karthago und sein
Griechischen und
Italienischen Beziehungen
2.33.The Dark ages of
A.M. Snodgrass Edinburgh , Univ.Press
Survey of
the eleventh
to the
eight Centuries BC
2.34.Supl.El Amarna
A.F.Rainey 1970, Verlag
Butzon &
tablets 359‑379
Bercker, Kevelaer
2.35.Schrift‑aantekeningen
2.36.Van alles
wat
2.37.Berekeningen
(cijfers,jaartallen, gevechten)
2.38.Belegeringen
2.39.Nederzettingen
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
Over het
algemeen uitreksels van boeken en artikelen. De artikelen
stammen meest
uit Syria.
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
Hoofdstuk 2.
Door de eeuwen heen.
Van
eeuw tot eeuw verandert het beeld. Het Romeinse rijk van de 1e eeuw
v.C. is moeilijk vergelijkbaar met dat van de 5e eeuw na Chr. De
Feniciërs van de 12e eeuw v.C. zijn nauwelijks vergelijkbaar met de
Puniërs, die we nog t.t.v. Sint Augustinus kunnen bespeuren. Zowel over het begin van de Feniciërs als hun
eind tasten we nog goeddeels in het duister. Ze zijn sluipend begonnen en
verdwijnen haast achteloos in de plooien van de geschiedenis, zonder echt
grootse tastbare materiële voorwerpen en gebouwen na te laten. Voor het begin
zijn er wat aanwijzingen, zoals de half-Fenicische inscripties uit de Sinaï. De
bibliotheek van Oegarit (Ras Sjamra) bevat een alfabetische spijkerschrift
vanuit de 14e eeuw v.C, dat zal door-evolueren naar het klassieke
Fenicisch. Pas bij de sarcofaag van Ahiram zien we een volwaardig Fenicisch
schrift opduiken, maar dan praten we alleen nog maar over het schrift. De
Feniciërs als zodanig zijn mogelijkerwijs als entiteit veel eerder te
onderscheiden. De laatste Feniciërs schijnen als zich Kanaänieten noemende
figuren op te duiken in de tijd van Sint Augustinus nabij Hippo Regius en dat
is pakweg anderhalf millennium later!
2.1.Wereldgeschiedenis de Haan‑Bussum,Staatsuit‑
dl.2:Nabije oosten geverij‑Antwerpen
en
Griekenland
blz.113-120
Het schrift.
Voordat
overigens de Feniciërs met hun beroemde alfabetische schrift kwamen in de
periode van de 14e-12e eeuw v.C. was er in dat opzicht al
een hele voorgeschiedenis. Dat begon met het oorspronkelijke of
begrips/beeldschrift, zoals we dat kennen uit bijvoorbeeld de grotten van
Lascaux. Rond 3000 v.C. zien we de invoering van het hieroglyphenschrift in
Egypte. Dat viel uiteen in het hiëratisch schrift (afgekort schrift door de
priesters) en het demotisch schrift (door het gewone volk). Het spijkerschrift ontstond vrijwel gelijktijdig
in Mesopotamië. Dit was een zogenaamd Syllabisch schrift van lettergreeptekens.
De Feniciërs vinden uit of dragen over: het alfabetisch schrift van
medeklinkers. De Grieken voegen er de klinkers aan toe. De Etrusken
(waarschijnlijk uit Klein-Azië) gebruiken de van de Feniciërs overgenomen
tekens op hun eigen manier. Dit Etruskische schrift nemen de Romeinen dan weer
over als voorbeeld voor het Latijns.
2.6.Schriftgeschiedenis J.A.Dortmond
Arvad.
De plaats Arvad ligt tussen Byblos en Oegarit in. Het is het eilandje Ruad, dat op 3 kilometer is gelegen van Tartus. Volgens Strabo (XVI 753) bedraagt de afstand tot de kust 20 stadia. Hij gaat er van uit, dat Arvad door Sidon in 761 v.C. werd gesticht, maar de plaats is veel ouder. Josephus (Ant.Iud,I 128) zegt dat Arvad gesticht werd door Aradius, zoon van Kanaän (Genesis X 18). Arvad is een belangrijke Fenicische plaats geweest. De plaats wordt genoemd in de El-Amarna tabletten en de Assyrische annalen voor wat betreft de periode 1400-400 v.C. De meest uitgebreide informatie komt pas los wanneer de stad munten gaat uitgeven in de Hellenistische tijd. Op de munten worden de goden Dagon en Melqart veelvuldig afgebeeld. Opvallend is, dat in het schrift het voorzetsel MEM wordt gebruikt i.t.t. Sidon en Tyrus, waarbij de LAMED vooral wordt gebruikt. Het voorkomen van de MEM als voorzetsel zien in diverse West-Fenicische kolonies echter ook terugkeren. Arvad moet ook een rol gespeeld hebben in de enorme expansie, die de Feniciërs over de Middellandse zee hebben ontplooid. Door de munten krijgen we ook wat meer inzicht in het vasteland(sbezit) tegenover Arvad. Daar verschijnen munten uit Carne (Carnos,Karnun), Amrit (Marathus), Simyra (Zimreh, Sumra) en Orthosia (Ard Artusi). Bij zijn grootste ontplooiing moet de stadstaat geheerst hebben tot aan Sigo en Mariamme in het Ansariye gebergte.
2.2.Arwad‑Greek
Coins G.F.Hill
of Phoenicia
De stadsstaat Arvad/Arados/Aradus.
Volgens Strabo (XVI,2,12) besloeg het gebied van Arvad in de Fenicische tijd de streek tussen Paltos in het noorden en Simyra in het zuiden tot aan de Eleutheros. Onder Seleucus II werden de grenzen nog uitgebreid tot aan Sigo en Mariamme in het binnenland en de zuidelijke kusten tot aan Berytus. Arvad wordt in deze tijd (300-200 v.C) dus Arados genoemd. De stad werd vooral bekend vanwege een asielrecht, dat men verwierf. Strabo (XVI,2,14) bericht daarover:
De Aradiërs, zoals de andere Feniciërs, gehoorzaamden aan de koningen van Syrië als bondgenoten. Omdat de twee broers Seleucus Callinicus en Antiochus, bijgenaamd Hiérax, zich tegen elkaar afzetten, verbonden de Aradiërs zich met Callinicus, sloten een verbond, waarbij het hen was toegestaan bij hen vluchtelingen op te nemen, die het koninkrijk verlieten, waarbij zij hen niet tegen hun wil behoefden uit te leveren. Het was hen overigens niet toegestaan om zee te kiezen zonder toestemming van de koning.
2.3.Aradus
et sa perée H.Seyrig
sous les rois Séleucide
Polytheïsme.
Er is in de oudheid voor de komst van het Christendom geen sprake van een hoofdreligie. Hoogstens zijn er van plaats tot plaats verschillende voorkeuren. Zelfs in Rome wordt met het grootste gemak een volkomen vreemde godin in huis gehaald, wanneer dat zo uitkomt. Zoiets gebeurde in 205 v.C. Hannibal bevond zich tijdens de oorlog tussen Rome en Carthago nog steeds in Zuid-Italië. In Rome maakte men zich op om een beslissing te forceren. Om zich te verzekeren van een goed gesternte, waaronder de komende acties moesten plaats vinden, huurde men de godin Mater Magna in. Met toestemming van Attalus I van Pergamum werd de godin (in de vorm van een meteoorsteen) vervoerd naar Ostia. In 204 v.C. installeren Scipio Nasica en Claudia Quinta haar in de tempel Victoria. Deze godin werd echter al duizenden jaren in Azië vereerd en werd ook wel Cybele genoemd. De cultus bevatte sterk extatische trekken, waarbij ook zelfcastratie voorkwam. Haar culturele centrum was in Klein-Azië te Pessinus, maar vinden we ook op de berg Ida te Troje. De Grieken identificeerden haar als Afrodite en in Rome ging zij door voor de moeder van Aeneas.
2.4.De grote Moeder
O.V.Henkel
De
komst van Mater Magna naar Rome Uitgeversmaatschappij Terra
De sociale discrepantie.
Terwijl elke stad en streek zo’n beetje zijn eigen
goden en godinnen had, was er eigenlijk overal wel sprake van eenzelfde soort
sociale discrepantie tussen rijk en arm. Dit zien we in het bijzonder
terugkomen tijdens de Syracusaanse tyrannis in de 4e eeuw v.C.
Sicilië kent in de tijd 370-300 v.C. een
groeiende bevolking, die te maken heeft met stijgende prijzen, terwijl zij niet
of nauwelijks meer gingen verdienen. Er komt een schaarste aan graan, maar de
productie van goud en zilver is hoog. Deze situatie is gunstig voor de rijken,
waaronder Carthago in haar bezittingen op Sicilië! De kleine boeren op Sicilië
moeten steeds meer gaan lenen en dat tegen een hoge rente om te zorgen voor hun
levensonderhoud. Dit alles gaat leiden tot “stasis” = revolutie met
schulddelging en landverdeling. De optredende alleenheersers in Syracuse zullen
menigmaal van deze situatie gebruik gaan maken, zoals Dionysius I + II, maar
ook Agathocles. Daartegenover staan de radicale democraten als Diocles en Dion.
De dictatoren hebben in deze tijd een formidabele militaire macht, maar weinig
geregelde financieringen en een slechte sociale situatie. Er moet haast wel
oorlog gevoerd worden om de huurlingen te kunnen betalen. Veelal worden de
rijken op den duur uit met name Syracuse verdreven door de combinatie van de
dictator en de arme bevolking. De verdreven rijken zoeken hun heil bij andere
rijken, zoals vaak de oligarchie van Carthago. Aldus sleept zich dit sociale
conflict zich vele tientallen jaren voort, dat men met militaire middelen
tracht op te lossen. Slechts de Corinthiër Timoleon kan tijdelijk voor enige
opluchting zorgen. Er komen na 339 v.C. 10.000 Grieken uit Hellas en 50.000
Grieken uit andere landen om de steden te herbevolken en komt er ook een
economische opbloei. Met de komst van Agathocles zal de oude twist tussen rijk
en arm weer opleven.
2.5.De Syracusaanse tyrannis L.de Blois
in de
4e eeuw v.C.
Palmyra.
We praten bij de Feniciërs en Puniërs over de god Baäl.
Deze naam komt in wat andere vorm meer voor in het Nabije Oosten. Zo is er in
Palmyra een tempel van Bel (32 na Chr) en komt er een godheid voor met de naam
Baälshamên (=heer van de hemelen). Palmyra is een typisch grensgebied tussen de
wereld van de Levant, de Mesopotaamse wereld en de Arabische wereld. De godin
Allât werd met name door de Arabische bevolking in dit gebied aanbeden. De
zonnegod werd Šamš genoemd. De taal in het gebied is dan hoofdzakelijk Aramees.
In 272 na Chr. wordt koningin Zenobia, die een groot gebied had veroverd rond
Palmyra, verslagen door Aurelianus. Na 300 na Chr. wordt de stad van muren
voorzien door Diocletianus. De goden krijgen hun gebruikelijke
naamsverwisseling. Allât wordt Athene en Artemis. Artemis had overigens haar
voornaamste heiligdom te Hierapolis (bij Aleppo).
2.7.De godin Allât en H.J.W.Drijvers
haar
tempel te Palmyra
Overgangsgebieden.
De gebieden rond Palmyra, Amman, Petra en Damascus zijn
bij uitstek de overgangsgebieden, waar zich in de Oudheid de bewegingen
voordoen tussen de steppen/woestijn en het cultuurland . Woestijn, steppenland en cultuurland liggen
niet naast elkaar, maar door elkaar. Alleen in Egypte vinden we een duidelijke
tweedeling. In voornoemde zone, die in de Oudheid veel groter was, zijn twee soorten levenswijzen aanwezig. De
nomadische en de sedentaire levenswijze balanceren in een wankel evenwicht
naast elkaar. We zien een voortdurende
instroom van nomaden, waarbij soms pieken van infiltratie waarneembaar zijn:
2500 v.C. Semieten – Akkadiërs
2000 v.C. Amorieten
1200 v.C. Arameeërs
800 v.C. Kimmeriërs &
Skythen
600 v.C. Arabieren
Soms gaat de beweging ook de andere kant op. Zo
verdwijnen tussen 2500 – 2000 v.C. de steden voor een goed deel in Palestina,
waarna vanaf 1900 v.C. er een krachtig herstel volgt.
2.10.Nomaden & sedentairen C.H.J de Geus Intermediair,
in het
nabije oosten
3000 jaren later.
Zo verdeeld als Fenicië in de Levant in de Oudheid
was, zo verdeeld is het hedendaagse Libanon. We vinden er Druzen, Maronieten,
gewone Arabieren, gewone Christenen, Moslems en tot voor kort (nog in de 19e
eeuw na Chr) diverse Joodse gemeenschappen. Na het ineenstorten van het Turkse
rijk, hebben diverse Europese mogendheden zich met de Libanon bemoeid. De
situatie van 9 juni 1861 na Chr. is tekenend voor de blijvende verdeeldheid. Op
die datum kwam er een Regelement voor het bestuur van de Libanon tot stand. Er
kwam een christelijke gouverneur met grote bevoegdheden, maar de havensteden
Beirut, Sidon en Tripoli bleven nog onder rechtstreeks Turks gezag.
2.8.De europese mogend‑ K.de Vey Mestdagh Intermediair,
heden in
de Libanon
omstreeks
1860 na Chr.
Religieus fanatisme.
De gelijkenis van de Libanon in onze tijd met de
toestand in Noord-Afrika t.t.v. Augustinus is frapperend.Ook hier vinden we
puriteinse Christenen. Het betreft een fanatieke vleugel van de Donatistische
kerk. Augustinus, de bisschop van Hippo Regius rond 400 na Chr. beschuldigt
deze ‘strijders voor god’ van de ernstigste misdaden en folteringen. Zij
plunderen de voorraadschuren (cellas circumiens rusticanes). Deze strijders
worden Circumcelliones genoemd en dat is in feite een scheldwoord. De
Donatisten zijn de volgelingen van de puriteinse bisschop Donatius en die
baseerde zich weer op Tertullianus en Cyprianus. Het is niet alleen een
conflict tussen rekkelijken en preciezen in de leer, maar evenzeer een sociaal
conflict. De kleine boeren en slaven komen in opstand. Christenen worden door
Christenen vervolgd. De hang naar het martelaarschap is groot. Al dit soort
elementen zien we in onze moderne tijd terugkeren in de Libanon.
2.9.Circumcelliones H.C.Teitler Intermediair,
t.t.v.Augustinus
Deze naam hoort bij de bekendste vertegenwoordiger
van de Carthagers. De zoon van Hamilcar is de geschiedenis ingegaan als ‘de
edelste mislukkeling’ of als de meester-veldheer. Er zijn echter veel meer
Carthagers geweest met dezelfde naam, waarover later meer. Hnb‘l betekent: in
de gunst van Baäl. Hannibal , de zoon van Barcas, wordt waarschijnlijk in
246/245 v.C. geboren en sterft in 183/182 v.C. Hij is vanaf zijn 25e
jaar veldheer, onderwerpt delen van Spanje, valt over land Rome aan, is
hervormer na 201 v.C. in Carthago en dwarrelt de laatste jaren van vorstenhuis
naar vorstenhuis in het Nabije Oosten. In deze Hannibal komt nog één keer de
grootte van de oude wereld naar voren, die ten ondergang gedoemd is bij de
opkomst van de Romeinen.
2.11.Hannibal W.Hoffman Göttingen,
Hannibal 2.
Talloos zijn de boeken, die over Hannibal, de zoon
van Barcas, zijn verschenen. Sommige zijn heel dik. Sommige zijn heel dun. Dat
de dikte niet alles wil zeggen, bewijst het boekje van K.Sprey, dat in weinig
bewoordingen de kwintessens van het fenomeen weergeeft. Enkele voorbeelden:
a.Rome was een staat, waarmee een burger zich kon
identificeren.
b.Slechts éénmaal moest Rome op leven en dood
strijden.
c.Hannibal overschaduwde iedereen, niet door zijn
positie, maar door zijn prestaties.
d.Het was een strijd van het persoonlijk genie tegen
de onpersoonlijke macht van een imperium in wording.
e.Er was een tegenstelling tussen Hanno en Hamilcar.
Hanno stond voor een zich schikken in de situatie en zich richten op Afrika.
Daarnaast zelf een onderwerping zoals Syracuse. Hamilcar wilde een
wederopstanding en wilde de huid zo duur mogelijk verkopen. Hij wilde een
herstel zonder in conflict te komen met Rome en ging daarom naar Spanje.
f.De verwoesting van Rome werd nooit nagestreefd.
g.Hannibal vertrouwde te veel op zijn bondgenoten,
maar hij moest wel, want zelf had hij een te zwak leger.
h.Spanje betaalde de oorlog en dus moest dat land
ten koste van alles behouden blijven.
2.14.Hannibal,veldheer K.Sprey Cultuurhistorische
van
Carthago.
monografieën, no.8
Hannibal 3.
Karl Christ bundelt een groot aantal meningen over
het fenomeen Hannibal. Opmerkelijk zijn de bevindingen:
- Sagunto vervulde bij de 2e
Punische oorlog dezelfde rol van aanleiding als Messina bij de 1e
Punische oorlog.
- De lethargie van de
bondgenoten.
- Het vrijheidsparool werkt
alleen in het begin.
- Hij was het symbool voor de
ontwikkeling, dat Rome alles ging beheersen.
2.27.Hannibal K.Christ Darmstadt 1974
[+W
Hoffman+W.Otto+ G.de Sanctis+A.d.Fitton‑ Brown+J.Kromayer+A.H. Chroust+E.Meyer+H.Scullard
+A.E.Astin+A.graf v.Schlieffen]
Wissenschaftliche
Buchgesellschaft
Romeins Carthago.
De meest verschrikkelijke transformatie van een
Punische stad vond plaats in Carthago zelf. Die was nog rampzaliger dan de
verwoesting van de stad zelf. O.l.v. Gaius Gracchus gaan de Romeinen een eeuw
na de verwoesting de stad weer opbopuwen, maar helemaal zonder obstakels lukt
dat niet. Plutarchus vermeldt namelijk, dat:
zich nare voortekenen hebben voorgedaan. Het
eerste veldteken werd speelbal van de wind en toen de drager zich met alle
kracht verweerde, brak het. Een wervelwind zoog de op de altaren gelegen
offeranden op en gooide ze een heel stuk van de palen, die het grondplan van de
stad aanduidden, weer neer. De palen zelf werden door binnendringende wolven
uit de grond getrokken en een eind weggesleept.
Wolven zijn het symbool voor vluchtelingen en
bannelingen. Ergens moet het geweten van de Romeinen over hun misdaad zijn gaan
knagen bij de creatie van de nieuwe stad. Was het niet ter plekke, dan toch wel
door degenen, die dit soort berichten over de herstichting opschreven, want er
zijn meer van dit soort verhalen.
2.12.de Romeinen H.D.Stöver
‘Entartete Kunst’.
De berichtgeving over de Feniciërs en Puniërs door de
klassieke auteurs was tamelijk eenzijdig om niet te zeggen meestal vijandelijk.
De meeste huidige auteurs proberen, ondanks deze beperkingen toch een wat
neutralere weg te bewandelen. Een van de uitzonderingen daarop vormt een boek
van Joseph Vogt uit 1943 na Chr. Het staat bol van de rassenhypotheses en
negatieve beoordelingen over de aard, het karakter en de kunst van de Feniciërs
en Puniërs. Rome is in dit boek het noordelijke superieure ras. Gelukkig is het
boek een uitzondering. Het toont wel aan hoezeer ‘onderzoekers’ onder een
totalitair regime kunnen ontaarden.
2.13.Rome en Karthago J.Vogt
Leipzig, 1943, Fritz
Schachermeyer, Fritz
Taeger, Marburg
Verdragen.
De Carthagers en Rome sloten diverse verdragen. Er
bestaat verschil van mening over de jaartallen.
|
2.15.Histoire
des Romains V.Duiny Paris, 1879‑1885,
heruitgave: Graz 1970
Sidon 1.
Bij C.C.Torrey komen we in zijn boek een hypothese
tegen over de herkomst van de Sidoniërs. Zij zouden met vele andere Semieten
opgeschrikt kunnen zijn door een aarbeving in zuiden van Arabië (zoals ook
klassieke auteurs beweren) en zouden omstreeks 2800 v.C. zich enige tijd aan de
kusten van de Perzische golf hebben opgehouden. Het hoeft niet per sé een
gewone aardbeving geweest te zijn. Het kunnen ook inslagen van meteoren geweest
zijn, want in het z.g. lege kwartier van Arabië zijn de inslagen daarvan
teruggevonden! Daarna zouden zij pas na ca.1600 v.C. zich hebben verplaatst via
Mesopotamië naar wat we nu de Libanon noemen.
De naam Šidonim zou ook invadeurs betekenen, terwijl de stam Šd vis
betekent.
De stad Sidon heeft naast de eigenlijke kern op de
kliffen en eilandjes aan de kust diverse andere wijken:
- district op de heuvels
- Rešeph-kwartier met de
tempel van Esjmoen
- District van de hoge hemelen
- Necropool Ayaa
- Necropool Magharet Ablûn
2.16.Sidon C.C.Torrey Aantekeningen
De wereld van de Feniciërs.
Een van de meest geslaagde
pogingen om de wereld van de Feniciërs in kaart te brengen is gedaan door
S.Moscati (Rome 1965 na Chr). In tijd is er een enorm verschil tussen het
materiaal van Ugarit en de laatste Punische fase bij St.Augustinus. Hierdoor
moesten er wel foute interpretaties bij opgravingen ontstaan. En toch is er een
autonome Fenicische beschaving, als we de gevonden voorwerpen zoals juwelen,
metalen schalen e.d. goed door de tijd en de ruimte heen beschouwen. Cultureel
is de Fenicische inbreng een voortzetting van de Kanaänietische beschaving.
Daarbij is het opmerkelijk, dat door de tijd heen er ook altijd van Kanaän
sprake blijft:
-
Akkadische inscriptie op beeld Idrimi (15e eeuw v.C)
-
Op gedenkteken Amenophis II te Memphis
-
In de Bijbel
-
Op munten van Laodicea uit de Hellenistische tijd
-
Bij Philo van Byblos in de Romeinse tijd
-
Bij St.Augustinus in de laat-Romeinse tijd:
Unde
interrogati rustici nostri quid sint, punice respondentes Chanani.
Tussen
de Fenicische en Punische beschaving zit ook meer overeenstemming dan verschil,
hetgeen tot uiting komt in de gedenkstenen, sarcofagen, figuren, beeldjes,
maskers, amuletten, glas, keramiek en zegels. Hierbij is lokale productie of
import nauwelijks uit elkaar te houden. Ondanks het enorme tijdverschil en de
voor die tijd enorme geografische omvang, is er in essentie toch sprake van één
culturele wereld.
2.17.L'épopée des Phéniciens S.Moscati Aantekeningen
in een duitse vertaling
Jugurtha.
Tegen het eind van de 2e eeuw v.C. valt
het Numidische koninkrijk van Micipsa uiteen. Tot die tijd was dat koninkrijk
een vazalstaat van Rome. Noord-Afrika
zag er staatkundig toendertijd als volgt uit:
Mauretanië West-Numidië Oost-Numidië Africa
Bocchus Masaesylië Masylië Provincia
Jugurtha Adherbal Romana
Sallustius beschrijft een eeuw later uitgebreid de
oorlog, die Jugurtha ging voeren. Jugurtha valt in 113 v.C. Cirta aan en na 15
maanden valt de stad, waarbij Adherbal, maar ook vele Romeinen en Italische
handelaren worden vermoord. Het duurt
tot 105 v.C., voordat Jugurtha na een halfslachtig optreden van Romeinse
generaals, diverse beschamende Romeinse nederlagen, omkopingen, guerilla
uiteindelijk door Bocchus aan de Romeinen wordt uitgeleverd. Als prijs voor
zijn verraad t.o.v.Jugurtha krijgt Bocchus West-Numidië toegewezen. Op den duur zal echter ook dit vergrote
Mauretanië onder de Romeinen gaan vallen. Deze episode typeert de
machtspolitiek van de Romeinen bij uitstek. Bondgenoten en handlangers worden
gebruikt zo lang als dat nodig is. Jugurtha heeft dat goed in de gaten en
verkoopt zijn huid zo duur mogelijk. De klassieke auteur Florus merkt dan ook
op in zijn boek I, 36:
Terecht
vreesden de Romeinen Jugurtha als hun ergste vijand na Hannibal.
Nu was Jugurtha zeer waarschijnlijk een Numidiër, maar de heerser over Oost-Numidië had een zeer herkenbare Punische naam: Adherbal. Na de val van Carthago zijn de Puniërs in grote getale uitgezwermd over de Numidische landen, waar zij al snel belangrijke posities verworven. De Numidische koningen bedienden zich van de Punische taal en kregen ook de Carthaagse archieven van de Romeinen aangereikt, voorzover ze uit de as van de stad waren gered.
2.18.De oorlog tegen Jugurtha Sallistius
Athene versus Syracuse.
De klassieke schrijver Thucydides beschrijft de
Atheense expeditie naar Sicilië, maar en passant bericht hij ook over de
nederzettingen van Barbaren en Hellenen op Sicilië. De volgende Fenicische
nederzettingen en/of namen krijgen de volgende verklaring:
Motya = spinnerij?
Soloeis = Kafara
Lilybaion = tegenover Libyë
Pachynos = de wacht (Pachun)
Overigens kijkt Carthago tegen het einde van de 4e
eeuw v.C. tijdens deze Griekse broederkrijg van de zijlijn toe en raakt pas na
afloop van deze strijd betrokken bij het Griekse deel van Sicilië. Het is
overigens wel de eerste keer, dat er een oorlog woedt tussen een stadstaat uit
het oostelijke deel van de Middellandse zee en een stadstaat uit westelijke
deel van de Middellandse zee.
2.19.Atheense expeditie voorwoord J.Steup Freiburg, 1905
op
Sicilië Thukydides LIB.VI.
TELLS.
In het Nabije Oosten bevinden zich talloze
ruïneheuvels, waarvan nog maar een klein deel werkelijk is opgegraven. In de
Libanon is daarentegen wel een groot deel van deze Tells bestudeerd. Een
voorbeeld daarvan is Tell ‘Arqa. De geschiedenis van deze stad gaat terug tot
in het 2e millennium v.C. en wel onder de naam Irqatu. In de
Helleense tijd wordt de plaats Arca genoemd. De Tell ligt ca.20 km ten noorden
van Tripoli in de wijdse vlakte van ‘Akkar in de buurt van de rivier Nahr el-Kebir. Aan de top (147
meter hoog) zijn de afmetingen 100m bij 250m. Uit het archeologisch onderzoek,
dat sinds 1972 plaats gevonden heeft, is gebleken, dat er sprake is van 12
niveau’s, waarin 6 periodes te onderscheiden zijn:
- moderne tijd
- middeleeuwse tijd
- byzantijnse tijd
- hellenistische tijd
- ijzertijd
- bronstijd
De Fenicische tijd ligt vooral in de ijzertijd, maar
we weten (nog) niet goed, welke de rol is, die deze stad toen gespeeld heeft.
Waarschijnlijk was zij ondergeschikt aan Tripolis.
2.20.Tell 'Arqa (Liban nord)
campagnes I‑III J‑P.Thalman SYRIA LV, 1978
Inscriptie-dispuut.
Over de exacte inhoud van diverse Fenicische
inscripties bestaat wel eens verschil van menig. Zo leest R.Dussaud RES 56,
ofwel AO 3080 van de catalogus van het Louvre als volgt in het jaar 1896 na
Chr.:
Dit altaar
werd opgericht door Eldamad, dochter van Echel.
J.Teixidor komt in 1979 na Chr. tot iets heel
anders:
Hermaios, die
dit heeft opgericht voor de rustplaats van zijn concubine.
De naam kan ook zijn Hermias of Hermeias. In ieder
geval is wel duidelijk, dat zowat een eeuw lang dit nog tot discussie kan
leiden. Het heeft alles te maken met hoe de Fenicische tekens, die vaak vrij
onduidelijk zijn, geinterpreteerd worden. Is het nu een b of een r, om maar bij
het eerste woord te beginnen.
2.21.L'inscription
Phénicienne
de Tartous (RES 56) J.Teixidor SYRIA LVI, 1979, blz 145
Discussies over de stichting van Fenicische
nederzettingen.
Hoezeer de Tyrische en Carthaagse archieven gemist
worden komt vooral tot uiting bij het bepalen van het begin van de diverse
Fenicische nederzettingen overzee. Deze archieven waren er ooit, maar ze zijn
verloren gegaan. Bij de beantwoording van de vragen naar het begin van de
Fenicische nederzettingen moeten we dan ook uitgaan van niet-Fenicische (dus
Griekse en/of Romeinse) bronnen. Nu is dat niet altijd zo betrouwbaar. Dus rest
er nog maar een mogelijkheid en dat is om de archeologie te laten spreken. Dat
dat ook niet altijd de oplossing geeft zien we bij Carthago bijvoorbeeld.
E.O.Forrer beweert in 1953 na Chr, dat Carthago tussen 673-663 v.C. werd
gesticht, want de z.g. zwart op rode keramiek komt in de 9e eeuw
v.C. veel voor in Azië (Gjerstad-classificatie). Dan zou dat ook in Carthago zo
moeten zijn en dat is niet zo en dus is de stad later dan 814 v.C. gesticht.
Daartegenover staat dan weer, dat R.Carpenter heeft aangetoond, dat de
epigrafie van de steen van Nora sterk gelijkt op dat van een in Carthago
gevonden medaillon. De steen van Nora wordt door Albright gedateerd op de 10e/9e
eeuw v.C, zodat Carthago heel goed in de 9e eeuw v.C. gesticht kan
zijn.
2.22.Aspects
of Phoenician W.Culican Leiden , E.J.Brill 1961
settlement in the West‑ Abr‑Nahrain, Semitic
Mediterranean Studies,
Univ. of
Hanno de Zeevaarder 1.
De Feniciërs en Puniërs waren kooplieden en
handelaren. Daarvoor bevoeren zij de Middellandse zee en zelfs de Atlantische
oceaan. Ze waren niet op de eerste plaats ontdekkingsreizigers. Toch is er in
een Griekse vertaling het verslag van zo’n ontdekkingsreis bewaard gebleven,
maar misschien was het ook wel een reis uit winstbejag. Geschiedschrijver
Polybios (ca.200-120 v.C) kan het reisverslag nog net op tijd in veiligheid
brengen, voordat de stad Carthago helemaal ten gronde wordt gericht. In ieder
geval komt Hanno met een complete vloot tot ver zuidelijk langs de Afrikaanse
kust. De meest verbreide visie gaat het volgende uit:
Dagen
Dagen cumulatief
Van de Gaditaanse engte tot Thymiaterion 2 2
Voorgebergte Soloeis 4 6 kaap
Cantin
Stagnum ½ 6 ½ Safi
Karikon Teichos 1 7 ½ Agouz
Gytta,Acra,Melitte,Arambys,Lixus 5 12
½ Drah
Verlaten streek 12 24 ½
kaap Blanc
Kerne 1 25 ½
Herne?.Arguin?
Chretes rivier
Van Cerne naar de groene kaap 12 37 ½
kaap Verde
‘maris hiatum’ 2 39 ½
Gambia
rivier
‘Hesperi Cornu‘ 5 44 ½
Bissagos eilanden
‘Theon ochema’ 4 48 ½
Mont Sagres
‘Noti Ceras’ 3 51 ½
eiland Sherbo
Vanaf de straat van Gibraltar is Hanno ca.2 maanden
onderweg naar het zuiden en is dus zeker voorbij de Sahara tot in Guinee
doorgedrongen. En dan dus ook weer ca. 2 maanden terugvaren, of korter vanwege
de gunstiger zeestroom en overheersende winden. Het is opmerkelijk, dat de
plaats Mogador niet wordt genoemd en ook de Canarische eilanden niet.
Merkwaardig is ook, dat in het verslag de naam van een apensoort wordt genoemd
(gorilla) en dat de opvarenden een vulkaanuitbarsting meemaakten (of was het
een bosbrand?).
2.23.Geographi
Graeci K.Muller Paris ,
M DCCC LV
Minores
Ambrosio Firmin Didot
[Skylax +
Hanno]
Fenicische schepen.
Er zijn er maar heel weinig van teruggevonden. In
1960 na Chr. vinden Bass en Throckmorton een wrak bij de kaap Gelidonya aan de
zuidkust van Turkije. De lading bestond uit o.a. scarabeeën, rolzegels, stenen
vijzels, hamers, diverse gewichten, olijven en een massa koperen en tinnen
staven. In feite leek het wel op een drijvende werkplaats. Dat gegeven
beantwoordt ook aan het beeld van wat we van de Feniciërs hebben. Ze gingen
niet de zee op als kolonisten, maar als kooplieden, handelaren en
ambachtslieden.
2.24.de Zeevaarders J.B.Pritchard (voorwoord)
M.A.Edey Time Live 1974
i.e.v.v.Blom
Terug in de tijd.
Hier wordt gesproken over de Oudheid als een periode
van ca.1500 v.C. tot ca.500 na Chr. In feite kunnen we nog veel verder
teruggaan in de tijd om tastbare bewijzen te vinden van de oude beschavingen.
Een kleine greep voor wat betreft de Syro-Libaneze
kust:
7500 v.C. Jericho
6000
Byblos
2260
Amorieten in Syrië
1675
Hyksos
1630
Hittieten in Alalakh
2.26.Les
Civilisations J.Deshayes Arthaud 1969
de l'orient ancient
Indeling en onderscheiding binnen Fenicië.
Globaal is een driedeling van toepassing.
NOORDEN: oud en op Cyprus gericht.
Gabala
Paltos
Karne
Arvad = Arad
= Ruad
Marath = Amrit
Simyra
Arka
MIDDEN: het heilige gebied.
Gebal = Byblos
Beryt = Berytus = Beiroet
ZUID: de verre expansie
Sarepta = Sarafand
Tyrus = Tsor = Sour
Acco
Joppe = Jaffa
2.28.the
Phoenicians A.Massa
i.e.v.v.Maccrae Minerva
Onderwater-archeologie.
Deze tak van wetenschap is sterk in opkomst en vormt
een bron van hoop voor de toekomst. Juist onder het wate zal er nog veel van de
oudheid zijn terug te vinden. Een van de eersten, die dat heeft ingezien, is
R.P.A.Poidebard, die bij Tyrus en Sidon vooral onderzoek heeft verricht naar de
havens.
2.29.Note
sur les récherches
dans le Port de Saide R.P.A.Poidebard Beiroet 1951
(1946‑1950)
frans archeologisch instituut
Donkere eeuwen in Griekenland.
De periode van 1200 tot 800 v.C. is in veel nevelen
gehuld. We zien de neergang van de Myceense beschaving. Als er al bijzondere
voorwerpen uit die periode gevonden worden, dan zijn ze meestal van Oosterse
oorsprong, dan wel imitaties. Cilicië, Cyprus, Egypte en Fenicië spelen daarbij
een belangrijke rol. In Griekenland is Kreta het meest onder de Oosterse
invloed geraakt.
2.33.The
Dark ages of A.M. Snodgrass Edinburgh, Univ.Press
Survey of the eleventh
to the eight Centuries BC
Oosters
Griekenland.
Voordat de Grieken zich en masse buiten de Egeïsche
wereld waagden, hadden zij vanuit het oosten al vreemde gasten in huis. Er
waren geen echt aparte Fenicische nederzettingen, maar de Fenicische handel
floreerde er buitengewoon tussen de 10e en 8e eeuw v.C.
Op Rhodos, Kreta en in Athena werkten Fenicische ambachtslieden. Op Thasos
werden mijnen geëxploiteerd. Thebe staat in verbinding met de legendarische
figuur Kadmos. Het Fenicische alfabet werd in aangepast vorm overgenomen. Ook
de Fenicische goden maken hun intrede onder veelal andere namen. Vanaf ca.800 v.C. zien we de Grieken aan de
Levantkust verschijnen. Al Mina wordt door Grieken en Fenicië samen bewoond.
Tussen 750 en 650 v.C. kunnen we zelfs spreken van een Orientaalse periode in
Griekenland. In deze tijd vertaalt Hesiodus Fenicische
mythen.
2.30.Early
Greece O.Murray The Harvester Press Sussex
Humanities
Press
New Jersey
De vroege rol van Carthago in Italië.
In de tijd van Pumiaton van Tyrus (820-774 v.C)
wordt Carthago gesticht. Zij was lang niet de eerste Fenicische nederzetting in
het westelijke deel van de Middellandse zee, maar zou wel de belangrijkste
worden.
Ø
Bij de komst van de Grieken trekken de Feniciërs zich terug op
Panormos, Soloeis en Motya, omdat dat dichter bij Carthago ligt, zodat zij daar
beter beschermd kunnen worden.
Ø
Malchus, koning van Carthago, bevestigt de dominantie van de Feniciërs
in Sardinië.
Ø
In 535 v.C. slaat Carthago m.b.v. de Etrusken een Griekse invasie van
Corsika af.
Ø
In 509 v.C. wordt in een verdrag tussen Rome en Carthago o.a.
afgesproken, dat Romeinse schepen niet westelijk van het Schone Voorgebergte
mogen varen.
Ø
Vooral via de Etrusken bestaat er een levendige handel tussen Italië en
Carthago, maar indirect ook met plaatsen in Griekenland.
Ø
In het verdrag tussen Rome en Carthago van 348 v.C. wordt Tyrus
uitdrukkelijk genoemd.
Ø
Met het minder belangrijk worden van de Etrusken, gaat de Carthaagse
handel steeds meer directe relaties opbouwen met Italië.
2.31.Studien zur Aeltesten Fr.von Bissing
Kultur Italiens:
Karthago und sein Griechischen
und Italienischen Beziehungen
De nadagen van de Kanaänieten.
De in Egypte gevonden tabletten bij El Amarna geven
een goed inzicht van de situatie in Kanaän tijdens de 14e eeuw v.C.
De Egyptische invloed is er tanende en het land wordt bedreigd door
Amorietische vorsten waaronder ‘Abi-Aširta. Rib-haddi is de vazalkoning van
Byblos (Gubla) en verkeert in grote moeilijkheden, zoals uit tablet EA 362
blijkt.
Rib-haddi:
Spreek tot de koning (=farao), mijn heer: aan de
voeten van de heer ben ik 7 keer en 7 keer neergevallen. Nu heb ik de woorden
van de koning gehoord, mijn heer en mijn hart heeft zich zeer verheugd. Dat mijn
heer snel boogschuttertroepen zal sturen. Als de koning, mijn heer, niet snel
boogschuttertroepen zal sturen, dan zullen we sterven en de steden van Byblos
zullen worden ingenomen.
Opmerkelijk is de overdreven onderdanigheid, die uit
dit bericht spreekt. Het getal zeven heeft een bijzondere betekenis en zeker
het kwadraat daarvan. Tijdgenoten van Rib-haddi zijn Milkili van Gezer (Gazru),
Suruta van Akka, Šuwardata van Gath (Gimti), Yidya van Ašqaluna (Askalon) en
Intaruta van Akšapa (Achshaph). De steden Amqi, Hazor (Hasura), Japhia (Yapu),
Sidon (Siduna), Ullassa en Ushu (Usû) bestaan al. Kanaän, het land, wordt
betitteld als Kinahhi. De Kanaänietische taal bevat reeds veel woorden, die we
later in een aangepaste vorm bij de Feniciërs zien terugkomen.
2.34.Supl.El Amarna A.F.Rainey 1970, Verlag Butzon &
tablets
359‑379 Bercker,
Kevelaer
|
ncfps
Geen opmerkingen:
Een reactie posten