maandag 9 februari 2015

Map 10. Fenicië


Ringmap 10

‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
    titel                naam               plaats/bron
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
10.1.Dionysius I         K.F.Stroheker      Wiesbaden/Franz Steiner
                                            Verlag [Alleen aantekeningen]

10.2.The seasonal pattern                   Academisch proefschrift
     in the Ugaritic Myth                   Amsterdam, 1971
     of Ba'lu             J.C.de Moor       Kevelaer 1971
     according to the                       Verlag Butzon & Becker
     version of Ilimilku                    50%

10.3.Lebanon in history  K.Hitti            New York 1957 Princeton Univ
                                            [aantekeningen + enige
                                            teksten met afbeeldingen]

10.4.Sidon               F.C.Eiselen        [selectie]
     A Study in Oriental
     History

10.5.Geschiedenis van het                   [alleen aantekeningen]
     joodse volk         H.H.Ben Sasson     Verlag C.H.Beck
 


10.6.Byblos through
     the ages            N.Jidejian         Beiroet/Dar el Mackreq Publ.
                                            Een grote selectie, veel
                                            afbeeldingen, foto's, citaten]
                                            KONINGSLIJST

‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
Voornamelijk Fenicische studies.


Hoofdstuk 10.


De mythe van Ba’lu.
In Ugarit schrijft Ilimilku op een groot aantal tabletten o.a. deze mythe van Ba’lu op Dit moet tussen 1367 en 1361 v.C. zijn gebeurd t.t.v. Niqmaddu II van Ugarit. Deze was een tijdgenoot van Amenophis IV van Egypte en Šuppiluliuma I van de Hettieten. De mythe is veel ouder dan de tabletten. Waarschijnlijk heeft de mythe in de 17e eeuw v.C. zijn basisvorm gekregen.
De hoofdpersonen en veelal goden en godinnen van de mythe:
Ba’lu: de held, berijder van de wolken
‘Anatu: zijn zuster
Atiratu: vrouwe van de zee
Ilu: de vader, de stier en hoofdgod
Pidrayu: meisje van de honingachtige dauw
Tallayu: meisje van de regenachtige dauw
Arsayu: meisje van de ……..
Yammu: god van de zee
Tumuqu: de schaduw van Ba’lu
Nahuru: de rechter
Ilu/Daganu: vader van Ba’lu
Haddu: de vervuller
Kôtaru-wa-Hasisu: de smid van de goden
Môtu: god van de dood en onderwereld
Šapšu: het licht van de goden
Aršu: leeft in de zee
Tunnanu: leeft in de zee

Bergen spelen een voorname rol:
Lêlu
Sapanu

Het is een seizoensverhaal. Ba’lu  moet vechten tegen Yammu (de zee) en Môt (de woestijn). Ba’lu sterft in de hete zomer, wanneer het gewas op de velden verdord, maar komt weer tot leven bij de leven gevende regens in de winter. Hij wordt terzijde gestaan door zijn krijgszuchtige zuster Anat. De hoofdgod El zit erbij en kijkt ernaar. De goden blijken gewoon te drinken, te eten en te vechten.


10.2.The seasonal pattern                   Academisch proefschrift
         in the Ugaritic Myth                  Amsterdam, 1971
         of Ba'lu                                      J.C.de Moor       Kevelaer 1971
         according to the                        Verlag Butzon & Becker
         version of Ilimilku                   





Het Fenicische Libanon in namen.

Enige fysisch-geografische namen:
Nahr Ibrahim Adonis rivier
Nahr al Kalb Hondsrivier
Nahr Beiroet Magoras
Ahl al-Jabal     mensen van de bergen
Wadi Qadisha de heilige vallei

Kanaän wordt als volgt genoemd door de:
Hurrieten        KNAGGI
Akkadiërs        KINAKHI
Feniciërs        KENA
Hebreeuwers  KENA‘AN

Enige plaatsen:
Amrit            MRT (fen)        Marathus (lat)
Gubla    (kan)    Gebal (fen)  Jubayl (arab) Byblos (gr) Byblus (lat)    Kupna (eg)
Beiroet  BE-RU-TH (fen) = bronnen  Berytus (lat)


10.3.Lebanon in history  K.Hitti            New York 1957 Princeton Univ
                                           

Sidon 3.
De stad ligt in een nauwe kustvlakte van enige kilometers in breedte. In het noorden stroomt de Nahr-al-Auwaly in zee en ten zuiden van Sidon ligt de Nahr Senik. De waterbronnen in de omgeving zijn de Ain-al-Kanterah en de Ain-al-Zaherany. Met zoveel zoet water beschikbaar is het geen wonder, dat Sidon en omgeving een soort tuinstad werd. Idrisi in 1154 na Chr. spreekt nog steeds over tuinen en bomen in de omgeving van Sidon en Ibn Batûta heeft het in 1355 na Chr. over een stad vol met fruitbomen.

In de Assyrische inscripties en in de El-Amarna brieven komt Sidon naar voren als:
-       S.i-du-un-nu
-       S.i-du-nu
-       Zi-du-na
-       Zi-tu-na
De naam komt van Sidos of Side. Eustathius zegt, dat Sidon gebouwd werd door Belus en de stad naar zijn dochter Side noemde. Diverse Griekse schrijvers verklaren, dat de zoon van Aegyptos de stad bouwde en het naar Sidos vernoemde. Dit sluit enigszins aan bij de Bijbel, waarin staat, dat Canaan Sidon als eerstgeborene kreeg. Justinius ziet in de 1e eeuw na Chr. in Sidon het woord VIS zitten en Sidon zou dus de vis-stad zijn.

Sidon zou wel eens de oudste stad kunnen zijn van Zuidelijk Fenicië. De eerstgeborene van Canaan is namelijk Sidon. In het Oude Testament worden de Sidoniërs veelal gelijkgesteld met de Feniciërs. Op munten van Sidon wordt de stad als de hoofdstad aangeduid. Het begin van Sidon zou wel eens rond 2800 v.C. gesteld kunnen worden. De stad schijnt echter pas laat belangrijk gewoden te zijn. In de Egyptische tijd zijn Byblos (Gebal) en Arvad eigenlijk belangrijker dan Sidon en Tyrus.

De kolonies van Sidon worden maar spaarzaam in de overlevering genoemd. Meestal wordt gerefereerd aan Tyrus. Een enkele overlevering rept echter over het feit, dat Sidon de moeder zou zijn van Kambe, Hippo, Citium en Tyrus. Kambe zou misschien Carthago kunnen zijn. Leptis zou gesticht zijn door vluchtelingen uit Sidon, maar er zijn andere verklaring, dat Tyrus of Carthago zelf de aanstichters zouden zijn. Vaak kan er ook sprake zijn van een herkolonisatie. Dor Joppa zijn geen echte kolonies van Sidon, maar kreeg de stad in de Perzisch tijd gewoon overgdragen.

Egyptische vazalkoning:       ca.1375 v.C.     Zimrida
Tyrische koningen in Sidon:   ca. 738 v.C.     Hiram I
                     ca. 734 v.C      Metana
                     ca. 730-701 v.C  Luli
Assyrische vazalkoningen  ca. 701-? V.C    Tubalu
                     ? – 678 v.C      Abdimilkutti
Perzische vazalkoningen       ca. 445 v.C      ‘m
                     Ca. 435 v.C      bm
                     Ca. 425 v.C      ‘b
                     Ca. 410 v.C      m
                     Ca. 400 v.C      b
                     Ca. 380 v.C      b
                     374-362 v.C      Strato I
                     362-351 v.C      Tennes
                     350-346 v.C      Euagoras van Salamis
Vazalkoningen van Alexander/Ptolemeën
                     332 - ? v.C.     Abdaloniums
                     ca. 325 v.C      Ešmunazar I
                     ca. 320 v.C      Tabnit
                     ca.314-300 v.C   Ešmunazar II (Em-Aštart)
                     ca.300-280 v.C   Bod-Aštart
                     ca.280-275 v.C   Philocles


10.4.Sidon               F.C.Eiselen        [selectie]
     A Study in Oriental
     History


Over infiltratie, invallen, assimilatie en symbiose.
In de 18e en 19e eeuw v.C. dringen Hoerrieten en Mittanni door in de kuststreekstaten van de Levant. In de 17e en 16e eeuw v.C volgt de heerschappij van de Hyksos, waarna de Egyptenaren weer het heft in handen nemen. Volken en stammen versmelten met elkaar. Dat gaat niet altijd even gemakkelijk. Zo valt Thutmosis II en stam in Zuid-Kanaän aan: Schasu of Schosu of Schosim. Het zijn bedoeïnen uit de Negev woestijn. Onder de regering van Amenophis III vallen Sutu-nomaden karavanen aan. Dan ook treden Chabiru op, die als soldeniers dienst doen. De koning van Babylon beklaagt zich bij Amenophis IV in een brief, dat zijn karavanen beroofd werden bij Netofa (Sebulon). Onder Sethos I (1308-1290 v.C) wordt er melding gemaakt van de infiltratie van nomadische groepen in Galilea. De Hebreeën komen onder Joshua aan bij Jericho. In 1219 v.C. vindt er een algehele opstand plaats in Kanaän tegen het Egyptische gezag. Dan ook is er voor het eerst sprake van Israël. Omstreeks 1200 v.C. nemen de Hebreeërs bezit van Jeruzalem. Ramses III vecht tegen de zeevolken en herstelt de macht van Egypte over de Kanaänieten en de Hebreeërs in een deel van Kanaän. De Fenicische steden blijven daarvan gevrijwaard en worden onafhankelijk. Ondanks de formele onderwerping aan Egypte staan de Kanaänieten en de Hebreeërs vijandig tegenover elkaar. Rechters I, 19:  Ze (de Hebreeërs) kunnen de Kanaänieten van de vlakte niet verdrijven, omdat ze de ijzeren wagen niet hebben. Sommige Joodse stammen in de vlakte zijn zelfs tribuutplichtig en moeten dwangarbeid verrichten.
Ondertussen hebben de Tjeker zich in Dor genesteld en vinden we de Filistijnen bij Ašdod, Aškalon, Gath, Gaza en Ekron. Een laatste grote vloedgolf van infiltratie wordt gevormd door de stammen van de Arameeën omstreeks 1100 v.C. Tiglat-Pileser heeft 28 veldtochten nodig tegen hen.
Een eeuw later is het koninkrijk van David ontstaan. De Filistijnen zijn uit de bergen bij Jeruzalem verdreven en de laatste Kanaänietische enclaves (Megiddo, Taanach en Bet-Shean) worden geannexeerd.


10.5.Geschiedenis van het  joodse volk         H.H.Ben Sasson     Verlag C.H.Beck


Byblos 1.

De naam betekent: papyrus rol.

Opgravingen:
1860 na Chr. Ernest Renan
1919 na Chr. Pierre Montet
1925 na Chr. Maurice Dunand

Enige historische gegevens:
# Farao Snefroe (2650-2600 v.C) laat 40 schepen cederhout halen in Byblos.
# Invasies van de Amorieten tussen 2300-2100 v.C.
# Bouw van de tempel van de obelisken.
# Graf 2 van de koninklijke begraafplaats heeft de volgende inscriptie:
De graaf van Byblos, Ibshemuabi, die het leven herhaalt, zoon van de graaf Abishemu, de triomferende.
# Voorts prinsen van Byblos: Akäy + Akery (zoon van Abishemu).
# Een Egyptenaar Si-nuhe zoekt zijn heil in Byblos en staat onderde protectie van Ammi-enshi (heerser van boven-Retenu).
# Rib-addi van Byblos biedt samen met Ammunira van Beruta weerstand aan Abdi-Ashirta, Aziru en Pubahla. Het Milim volk uit Arvad doet ook een aanval.
# De naam van het eiland Melos (=Mimblis=Mimalles) is terug te voeren op Byblos en is misschien een kolonie van Byblos geweest.
# De Egyptenaar Wen-Amon bezoekt Zakar-Baäl van Byblos om hout voor de farao te halen.
# Tiglat-Pileser I van Assyrië haalt cederhout weg uit de Libanon en ontvangt o.a. van Byblos (Gub-la) een tribuut (ca.1175 v.C).
# Tiglat-Pileser III van Assyrië ontvangt tribuut van Sibitti-Be‘l van Byblos. Dit is de Shipit-Baäl, die in 740 v.C. over Byblos regeerde.
# Sennacherib van Assyrië ontvangt tribuut van Urumilki van Byblos in 701 v.C.
# Esarhaddon van Assyrië ontvangt tribuut van Matanbaäl van Byblos.
In de Nieuw-Babylonische en Perzische tijd komt Byblos nauwelijks nog in het nieuws. In religieus opzicht blijft de stad echter het middelpunt van de Fenicische wereld.

10.6.Byblos through  the ages            N.Jidejian         Beiroet/Dar el Mackreq Publ.
                                  


Dictators.
De Grieken hebben in de Oudheid vele alleenheersers gehad. Dit tot hun eigen leed, maar ook tot het leed van Carthagers. Dionysios I regeert maar liefst 38 jaren en vrijwel geheel deze periode ligt hij ook met Carthago overhoop. Dionysios I komt aan de macht door te steunen op de ‘demos’ (=het volk). Eerlijk is eerlijk, Dionysios I opende niet de vijandelijkheden in 406 v.C. Carthago was reeds in 410 v.C. begonnen om orde op zaken te stellen in haar overzeesche provincie op Sicilië. Selinous en Himera worden verwoest. Daarna komt er vrede, maar er is een onruststoker Hermokrates, die zich o.a. in het gehavende Selinous vestigt. Opnieuw wil Carthago de Grieken tot de orde roepen en neemt na veel strijd in 406 v.C. Akragas in. Na een jaar wordt Dionysios I bij Gela verslagen, waarna Carthago een voordelige vrede met de tiran kan afsluiten. Carthago denkt alles geregeld te hebben, maar Dionysios I komt verschillende malen op het oorlogspad terug en evenzovele malen moeten de Carthagers met wisselend succes ingrijpen. In 398, 394, 382, 379 en 368 v.C. neemt hij telkens de wapens weer op, maar wordt uiteindelijk ook weer teruggeslagen. Motya, Eryx en diverse Sicanische en Elymische steden moeten het ontgelden. Aan de andere kant staan de Carthagers ook voor de poorten van Syracuse. Tot een echte beslissing komt het nooit. Tussen door weet Dionysios I ook nog de Etrusken en de Bruttiërs in Italië te bestrijden. Op Sicilië zelf zuchten een groot aantal Griekse en Siculische steden vaak onder zijn juk.
Bij zijn laatste aanval met 300 triremen en 30.000 man op Lilybaion lijdt de tiran tenslotte een rampzalige nederlaag. Bij Drepana vernietigen de Carthagers 130 Grikese triremen. In 367 v.C. sterft Dionysius I.

10.1.Dionysius I         K.F.Stroheker      Wiesbaden/Franz Steiner  Verlag


Geen opmerkingen:

Een reactie posten