vrijdag 27 februari 2015

Map 14. Libanon e.d.

RINGMAP 14

‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
       titel              schrijver         bron
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
14.1 Ricerche Puniche
     nel Mediterraneo                       Colloquium Roma 1969
     Centrale                               Consiglio nazionale delle
                                            ricerche 1970
     ‑Ricerche puniche
      in Sardegna         F.Barreca
     ‑Ricerche puniche
      in Sicilia          V.Tusa
     ‑Recherches puniques
      en Algérie          M.Bouchenaki
     ‑Recherches puniques
      en Tunesie          M.H.Fantar
     ‑Ricerche puniche
      a Malta             A.Ciasca          [met aantekeningen en
                                            kaarten en afbeeldingen]

14.2 Der Alte Libanon     K‑H.Bernhardt     Verlag Anton Schnoll/Wien
                                            Wien & München 1976
                                            fysisch geografische inbreng
                                            [met aantekeningen en
                                            kaarten en afbeeldingen]

14.3 Phönizier und
     Spanier              J.B.Cirkin        Klio 63 1981 2 411‑421
     Zur Problem der      i.e.v.v.E.Dressler
     kulturellen Kontakten

14.4 Archeologie VIVA     jaargang 1 no 2   1968‑1969.
     Seine Entstehung und seine Grösse
     ‑Zeittafel
     ‑Tanitzeichen           P.Cintas
     ‑Museographie           M.Yacoub
     ‑Bevölkerung            L.Balout
     ‑Politik&Wirtschaft     J.Heurgon
     ‑Erforschung der Meere  R.Carpenter
     ‑Archäologische entdeckung M.Fantar
     ‑Architektur            P.Cintas
     ‑Unveröffentliche Funde M.Vézat
     ‑Magie                  J.Leclant
     ‑Religion               J.G.Février
     ‑Symbolik               A.M.Bisi
     ‑Kunst                  L.Foucher
     ‑Documente              M.Sznycer
     ‑Institutionen          G.Charles Picard
     ‑Glossarium                            VEEL AFBEELDINGEN

‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
VNL.West‑Phoenicische en Carthaagse (DEEL)publicaties.

 

Hoofdstuk 14.



Stand van zaken in het archeologisch onderzoek omstreeks 1970 na Chr.

In Sardinië:
-        In en rond Sulcis van 1964 – 1968 na Chr.
-        Bovendien werden in de loop der tijd de volgende plaatsen door archeologen onderzocht:
Huidige naam            klassieke naam
=============================
Cagliari                Karalis
Capo di Pula            Nora
Torr di Chia                 Bithia
Malfatano
S.Isidoro di Teulada    Tegulae
Zaffarano
Porto Pino
S.Antioco               Sulcis
Carloforte              Inosim
Mazzacara
Bruncu ‘e Teula
Gutturu ‘e Flumini
Pistis
Capo Frasca
S.Maria di Nabui        Neapolis
Capo S.Marco            Tharros
Capo Mannu
S.Caterina Pittinuri    Cornus
Bosa
Porto Conte             Carbia?
Porto Torres                 Turris Libyssonis
Castel Sardo
Olbia
Calagonone
Lotzorai                Sulsi
S.Giovanni di Saralà    Saralapis
S.Maria di Villaputzu
S.Priamo
Monte Nai
Capo Carbonara


- Op basis van de namen komen in aanmerking om verder onderzocht te worden:
Huidige naam                 klassieke naam
=================================
Usellus                      Uselis
Macomer                      Macopsia
Magomadas                    Macomadas
Padria                       Gurulis
Lago di Barazze              Nura
Oristano                     Othoca

- Nog niet genoemde plaatsen zijn:
Monte Sirai       Monte Crobu       Corona Arrubia
Paniloriga di Santadi                    Villaperuccio
Pantaleo          Piolanas                Medau Piredda
Çorongiu          Tani                    Santa Iaccu
S.Pietro di Siliqua     Uta                     Paringianeddu
Sa Turritta di Serruci                   Grugua
Antas             Corongiu ‘e Mari        Matzanni
Santu Antine      Monastir                S.Sperate
Serramanna        Settimo S.Pietro        Maracalagonis
S.Andrea Frius    S.Nicolo Gerrei         Ballao
Senorbi           Barumini                Baressa
Allai             Genoni                  Uras
Mogoro            Neoneli                 Paulilatino
Fordongianus      Narbolia                S.Simeone di Bonorva
Modolo            Sorso                   Tergu
Codaruina         Viddalba

In Sicilië:
-        De doorbraak kwam al in 1921 na Chr.met de opgraving van J.Whitaker te Motya/Mozia. Nog steeds is hier ook een groot van de aandacht aan gwijd door steeds weer nieuwe vondsten.
-        Solunto in 1951 na Chr.   + La Cannita.
-        Lilibeo in 1965-1966 v.C.
-        Pantelleria door P.Orsi al in 1899 na Chr.
-        Erice 1967 na Chr.
-        Palermo 1965 na Chr.      en voorts:
Selinunte, Sciacca, Monte Polizzo, Segesta, Poggioreale, Rocca d’Entella, Torre Gratanelli, Montelepre, Himera

Op Malta:
Tas Silg, Marsaxlokk, S.Paolo Milqi.

Op Gozo:
Wardija.

In Algerije:

- In Siga is keramiek aangetroffen vanuit de 2e helft van de 7e eeuw v.C. door M.F.Villard. In april 1969 na Chr.werden er bovendien gedenkstenen bloot gelegd.

- De necropool van Gouraya is al langer bekend. Hij stamt uit de 3e-2e eeuw v.C. M.F.Villard legt een verband tussen het gevonden Griekse aardewerk in het gebied van Oran, te Marokko en speciaal te Lixus. In de 5e eeuw v.C. moeten deze gebieden een economisch geheel gevormd hebben. De Griekse keramiek werd door de Carthagers vervoerd.
- In Tipasa is M.Cintas begonnen met de opgravingen. Hij werd in 1960-1962 opgevolgd door M.Baradez en van 1964-1968 door M.Lancel. Cintas vindt een necropool vanuit de 6e eeuw v.C. Er worden meer necropolen gevonden zowel ten oosten als ten westen van de stad. De graven hebben een noord-zuid ligging met de hoofden naar het noorden toegekeerd [en de uitgang dus veelal naar het zuiden?]. In juli 1968 na Chr. werd er een schiereiland een opgraving verricht, waarbij het forum en een baseliek werd gedecteerd. Het woonkwartier moet waarschijnlijk tussen de westelijke en de oostelijke necropool in liggen.
- Tiddus ligt 20 km ten zuiden van Constantine.
- Sigus ligt 30 km ten ZO van Constantine. Hier bevindt zich een necropool vanuit de 1e eeuw na Chr. Er zijn 29 munten gevonden, waarvan 5 uit Carthago, 10 uit Numidië en 11 munten uit de keizertijd.
- Constantine = Cirta. In 1950 vinden A.Berthier en A.Charlier er 600 gedenkstenen.
- Hippo Regius kent keramiek uit de 2e eeuw v.C. M.Morel onderzoekt een grote muur, die in 90-80 v.C. werd gebouwd. De architectuur daarvan is Punisch.

In Tunesië:
Thabarca, Hippo Diarrhytus, Carthago, Kerkouane, Taparura, Tacapas, Gigthi, Hadrumetum.

14.1 Ricerche Puniche
        nel Mediterraneo                       Colloquium Roma 1969
       Centrale                                       Consiglio nazionale delle   ricerche 1970
     ‑Ricerche puniche
      in Sardegna         F.Barreca
     ‑Ricerche puniche
      in Sicilia          V.Tusa
     ‑Recherches puniques
      en Algérie          M.Bouchenaki
     ‑Recherches puniques
      en Tunesie          M.H.Fantar
     ‑Ricerche puniche
      a Malta             A.Ciasca         





Libanon.
 In 138 v.C, 70 v.C en 551 na Chr. werd de Libanon door zware aardbevingen getroffen. De bergtempel van Beiroet ligt op 732 meter hoogte bij Bet Meri. De tempel is gewijd aan Baäl Marqod (=god van de dans). Mogelijk heeft het iets met de aardbevingen te maken.
 Pas in de Hellenistische tijd breiden de Fenicische steden hun vastelandsbezit uit naar de Bekaa. Deze vallei wordt vooral door de noord-zuid ligging gebruikt voor de doortocht van ettelijke legers.
 Bij de Djebel Baruk en te Dahr el-Arz/Kodib bevinden zich nog restanten van het grote cederwoud. Nevenproducten van het cederhout zijn hars en pek. Door alle tijden heen geven veelal vreemde heersers opdracht te zorgen voor massale houttransporten.


14.2 Der Alte Libanon     K‑H.Bernhardt     Verlag Anton Schnoll/Wien
                                                                           Wien & München 1976
                                           
Feniciërs en Spanjaarden.
Spanje behoorde in het 2e millennium v.C. eigenlijk tot de West-Europese cultuurkring. De schat van Bodonal de la Sierra (ca.1000 v.C) wijst daarop met gouden voorwerpen, die van dezelfde soort ook op de Britse eilanden voorkwamen. De Feniciërs kwamen primair voor de handel en het ging hen vooral om het zilver. Pas later gaan zij ook op zoek naar de tinaanvoer. De Iberiërs hadden lange tijd geen weet van de waarde van het zilver. De winning was dan ook in het begin nog zeer primitief. Pas t.t.v. de Feniciërs gaat men over tot de exploitatie via mijnen (8e eeuw v.C).
Met het ontstaan van de Iberische adel ontstaat ook de vraag naar kunstzinnige producten. De Iberische handwerkslieden nemen de technieken en methoden van de Feniciërs over en zo ontstaat er in het zuidwesten van Spanje een Fenicisch-Tartessische kunst, waarbij de traditionele inheemse kunst wordt verdrongen. Vervolgens dringt de Fenicische invloed ook door in de inheemse religie en taal.
Staatkundig en militair komen er pas bij de Puniërs grote veranderingen. Het is Hamilcar Barcas geweest, die voor het eerst een groot deel van Spanje in één staat verenigd heeft.
De volgende fasen zijn te onderscheiden:
1200-800               eerste contacten met ruilhandel + beginnende Fenicische kolonisatie
800-500                   intensieve Fenicisch-Iberische contacten + volwaardige kolonisatie
500-200                   Punische infiltratie landinwaarts
Vanaf 200   Romanisering van de Iberiërs en Feniciërs en Puniërs

14.3 Phönizier und
     Spanier                        J.B.Cirkin        Klio 63 1981 2 411‑421
     Zur Problem der                                   i.e.v.v.E.Dressler
     kulturellen Kontakten







Carthago.
 Qart Hadašt is goed te vergelijken met het latere Venetië. Het werd een enorm rijke stad. Jaarlijks zou de stad op het hoogtepunt van haar macht wel eens 12.000 talenten uit haar kolonies en protectoraten hebben ontvangen. Dat is vergelijkbaar met 45.000.000 US dollars in 1968 na Chr! Geen wonder, dat het de afgunst en hebzucht van Grieken en Romeinen opriep. Athene in haar bloeiperiode inde slechts 1/20e deel van wat Carthago jaarlijks binnen kreeg.
 Qart Hadašt heeft waarschijnlijk 668 jaar bestaan. Het jaartal 480 v.C. markeert precies de helft (334 jaar) van die tijdspanne. Merkwaardig genoeg gebeurt er in dat jaar ook iets zeer bijzonders. Het is het jaar van de grote nederlaag bij Himera tegen de Grieken. Er verandert dan ook iets wezenlijks bij de Carthagers.  Van 814 – 480 v.C. bestaat het orientale nog primitieve Carthago. Van 480-146 v.C. zien we een steeds meer gehelleniseerd steeds rijker en luxer wordend Carthago.
 Het ‘Tanit’-teken ziet er meestal uit als een driehoek en een cirkel gescheiden door een dwarsbalk. Het komt veelal voor in combinatie met de godin Tanit, waardoor het al snel het etiket van het Tanit-teken kreeg. De godin Tanit hoeft er echter niet per definitie wat mee te maken te hebben.  Pierre Cintas neemt een aantal hypotheses eens goed door in zijn poging om het symbool te verklaren:
1.    Betekenis als biddend figuur;
2.    Punische drie-eenheid (E.Babelon);
3.    Astarte als Isis-Hathor (Clermont-Ganneau);
4.    Heilige steen (Lagrange);
5.    Egyptisch levensteken ANKH (Ronzevalle);
6.    De driehoek is het altaar en de cirkel is de godheid (S.Gsell).
Wat weten we eigenlijk zeker. Het is een soort pentagram of diagram en het werd van het begin af aan in deze grondvorm neergelegd. Cintas houdt het er op, dat het een vrouwelijke metafoor voor de vruchtbaarheid moet zijn geweest.
 Mohamed Yacoub geeft inzicht in de afdeling van het Museum Bardo te Tunis, waar de Punische vondsten worden bewaard. We vinden er vooral zaken vanuit de tofet te Carthago. In 1982 na Chr. was ik er. Eerst stond ik voor een gesloten deur, want ik had natuurlijk weer net de dag uitgekozen in de week, dat het gesloten was. De volgende dag was het open en het was een openbaring. Ik kreeg toestemming om met mijn fototoestel in de weer te gaan, nadat ik eerst een formulier moest invullen en ondertekenen, dat het voor mijn hobby was en dat bij een zakelijke publicatie rechten aan het museum moesten worden overgedragen. Ook moest een begeleider bekostigd worden, die netjes vitrines voor mij opende. Desondanks zijn niet alle foto’s geslaagd, maar toch wel de meerderheid.
 Mongi Ennaifer geeft inzicht in de Punische voorwerpen van het museum van Carthago op de Byrsa te Carthago. In 1982 na Chr. was ik er. De wachter deed net zijn Islamietisch gebed en trok zich niets aan van wat er om hem heen allemaal gebeurde. Hier had ik niet eens toestemming voor een fototoestel nodig. Ik begon de inscriptie van een gedenkplaat over te nemen en men was verbaasd, dat ik dat zo natuurlijk kon. Men beschouwde mij als een kenner en ik kon gaan en staan waar ik wilde. De kathedraal van de witte paters staat geplempt op de fundamenten van de Esmoen tempel. Vanaf de Byrsa heuvel is goed een opgraving zichtbaar langs de helling van de Byrsa, waar waarschijnlijk de zes-verdiepingen-huizen gestaan hebben.
 De annalen van Tyrus heeft Timaeus tegen 300 v.C. gebruikt en een eeuw later vertaalt Menander van Ephesus die. Deze vertaling wordt in de 1e eeuw na Chr. door Flavius Josephus gebruikt en hij zegt, dat IN HET ZEVENDE JAAR VAN DE HEERSCHAPPIJ VAN PYGMALION ZIJN ZUSTER ELISSA DE STAD TYRUS ONTVLUCHTTE EN IN LIBYA DE STAD CARTHAGO STICHTTE. Dit komt overeen met het jaartal 819 v.C. De getuigenissen van Timaeus en Justinus komen respectievelijk op 814 en 824 v.C.uit.
 Strabo zegt over de straat van Gibraltar in zijn GEOGRAPHIKA (III,I.7) het volgende: Zeilt men van onze zee naar de Oceaan, dan bevindt zich rechts Calpe en dichtbij deze stad op een afstand van 5 mijlen het zeer oude opmerkelijke Carteia, dat ooit bij de Iberiërs als vlootbasis in gebruik was….
Timosthenes zegt: dat deze plaats ooit Heraclea werd genoemd en dat daar nog lange kaden en dokken te zien zijn alsmede onderdelen voor schepen.
Nu waren de Iberiërs van nature geen zeevaarders. Timosthenes heeft het dus eigen over een Carthaagse vlootbasis.
 Veel scrabeeën in Carthago dragen de naam van Thutmosis III. De godin Hathor komt voor in de gestalte van een koe op diverse scarabeeën.  Andere Egyptische godheden zijn Isis, Horus, Osiris en Bes en zien we de ibis, sfinx en het oog optreden. Verder komt het ankh-teken voor. Het toont de sterke Egyptische invloed in het veld van de magie te Carthago.

14.4 Archeologie VIVA     jaargang 1 no 2   1968‑1969.
     Seine Entstehung und seine Grösse
     ‑Zeittafel
     ‑Tanitzeichen                    P.Cintas
     ‑Museographie                 M.Yacoub
     ‑Bevölkerung                    L.Balout
     ‑Politik&Wirtschaft         J.Heurgon
     ‑Erforschung der Meere  R.Carpenter
     ‑Archäologische entdeckung M.Fantar
     ‑Architektur                     P.Cintas
     ‑Unveröffentliche Funde M.Vézat
     ‑Magie                              J.Leclant
     ‑Religion                          J.G.Février
     ‑Symbolik                        A.M.Bisi
     ‑Kunst                              L.Foucher
     ‑Documente                    M.Sznycer
     ‑Institutionen                 G.Charles Picard
     ‑Glossarium                    VEEL AFBEELDINGEN



Geen opmerkingen:

Een reactie posten